Caen was lange tijd het rootste struikelblok voor het Canadese Eerste en Britse Tweede Leger. De vele veldslagen rond
Caen heeft veel bijgedragen aan het verzwakken van de Duitse verdediging verder naar het westen. Dat was ook
doorslaggevend voor de uiteindelijke doorbraak door het Amerikaanse Eerste leger. De stad werd grotendeels verwoest en
zo'n 2000 burgers kwamen om

De oversteek van de Seine

Na de doorbraak was het eerste grote fysieke obstakel voor de geallieerden de Seine, een belangrijke waterweg die
helemaal tot Rouen bevaarbaar is voor zeeschepen. Het Derde Leger vorderde langzaam over een breed front in het
westen, maar in het oosten was minder weerstand. Het nam de rivier snel: de 79th Infantry Division ontdekte dat de
Duitsers Mantes-Gassicourt ten noordwesten van Parijs hadden verlaten; de 4th Armored Division stak over in het
zuidwesten bij Troyes, de 5th Inf Div bij Monteneau en de 7tj Armd Div stroomafwaarts vanaf Melun. Op 25 augustus had
Bradley's 12th Army Group dus een aantal bruggenhoofden over de Seine. Verder westelijk, waar de meeste Duitse troepen
die terugstroomden uit Normandië geconcentreerd waren, werden de overgangen feller betwist. Bij Vernon moest de Britse
43rd Wessex Division 210 meter open water oversteken in een operatie die schrijver Ken Ford beschreef als 'strompelen
van crisis naar crisis'. Het lukte echter wel. Ten koste van 560 slachtoffers had het Britse XXX Corps zijn bruggenhoofd
over de Seine. Bij Forêt de la Londe stuitte de Canadese 2nd Inf Div op Duitse tegenstand en moest bijna 600 slachtoffers
betreuren aangezien de Duitse achterhoede dapper vocht om de troepen in staat te stellen zich terug te trekken over de
Seine. Elders vonden vergelijkbare gevechtshandelingen plaats. Bij Criqueboeuf stak het Algonquin Regiment, onderdeel
van de Canadese 4th Armd Div, de Seine over onder vuur van bovenaf (heuvel 88) op de noordoever. Ook de 3rd Div
vestigde een bruggenhoofd bij Elbeuf, maar niet nadat grote aantallen Duitsers zich hadden teruggetrokken over de Seine.
Hoewel achteraf werd gesuggereerd dat de Duitsers zo'n 12.000 motorvoertuigen hadden verloren, waaronder 150
pantwervoertuigen, legde het Vijfde Panzerarmee vast dat tussen 20 en 24 augustus 25.000 voertuigen de Seina waren
overgestoken, 's nachts en onder dekking van slecht weer. Volgens historici maakten de geallieerden één fout: als Patton
de overgang bij Mantes-Gassicourt had gebruikt om door te stoten naar Rouen over de oost- in plaats van de westoever,
zouden minder Duitsers zijn ontsnapt.

De bevelhebber van het Canadese II Corps, Guy Simonds, kijkt vanuit zijn stafauto toe hoe Shermans van de Canadese
Grenadier Guards (de 21ste Canadian Armd Regt) op 28 augustus de Seine oversteken bij Elbeuf.

Een General Motors Staghound-pantserwagen van de XIIth Manitoba Dragoons steekt op 28 augustus 1944 een baileybrug
over bij Elbeuf. Soldaten lossen bielzen om het wegdek te verstevigen.

Operatie Dragoon

Op 15 augustus werd een tweede front geopend n Frankrijk toen de geallieerden vanuit de lucht en vanuit zee de Franse
Rivièra aanvielen. In een goed georganiseerde en efficiënte operatie landde eerst het Amerikaanse Zevende Leger onder
majoor-generaal Alexander Patch, gevolgd door het Franse Eerste Leger. Na de mars naar de Vogezen met de hele weg
lang wanhopig vechtende Duitsers op de terugtocht, ontmoette het Zevende op 10 september Pattons Derde Leger. De
snelheid van de opmars nam net als elders af vanwege de bevoorradingsproblemen, maar toen de haven van Marseille in
bedrijf kwam, leverde die in de laatste maanden van de oorlog een derde van de benodigde voorraden.

Frans-Algerijnse troepen rusten uit onderweg naar het front.

Alexander Patch speldt de Silver Star op bij Marc Rainaut, leider van de FFI in Saint-Tropez, 18 augustus 1944.

Sainte-Maxime viert de bevrijding/

Landingsmonument in Pampelonne (Ramatuelle) bij Saint-Tropez.

De invasievloot voor Saint-Tropez.

Het Zevende Leger - in de vorm van de Franse 2e Pantserdivisie - marcheert Straatsburg binnen op 23 november 1944. De
eenheid ontving een US Presidential Unit Citation voor haar bijdrage.

Soldaten van het Zevende Leger bij de Westwall in de buurt van Climbach, Frankrijk, 15 december 1944. Opgehouden door
de Slag om de Ardennen trok het Zevende Leger naar het westen terwijl het Derde nordwaarts ging. |Uiteindelijk veroverden
de twee legers in de lente van 1945 samen de driehoek Saarland-Palts.

De opmars van Patton

Deze M4A1 (76 mm) Sherman tank is een gedenkteken voor de strijd rond Nancy, een tiendaagse strijd waarbij de stad
werd bevrijd en de bruggen over de Moezel en de Meurthe werden gered.

Een M4A4 gedenkt de slag bij Arracourt, waar de 4th Armored Division een tegenaanval van de 5. Panzerarmee afsloeg.

De heuvels van Spicheren, ten zuidwesten van Saarbrücken, vielen pas op 21 februari 1945, toen die inmiddels behoorden
tot het front van het Zevende Leger. Mannen van de US 70th Infantry Division ('Trailblazers') die het dorp innamen
herdachten die gebeurtenis in 1997 met het plaatsen van een M24 Chaffee tank als gedenkteken.

Op 13 september 1944, nog geen maand nadat met Operatie Dragoon 9000 parachutisten en 90.000 soldaten over zee
waren aangekomen, ontmoetten verkenners van de 6th Army van Pattons Derde Leger de Franse troepen van Patch's
Zevende voor het stadhuis van Autun.

Hetzelfde stadhuis, 70 jaar later, met de vlag van de Vrije Fransen.

Op 18 augustus 1944 namen de Canadezen Falaise in.

Drie hoge militairen: Patton, Bradley en Montgomery. Zij leidden de grootste amfibische operatie ooit, vernietigden het
vijandige leger en bereikten binnen vier maanden de Duitse grens; een buitengewone prestatie.

Toen het Derde leger Lotharingen naderde, leek alleen brandstofgebrek het te kunnen stoppen. Op 31 augustus 1944 stak
het XX Corps bij Verdun de Maas over, na een opmars van 650 kilometer vanaf Normandië, maar toen was de benzine al bijna op. Verder naar het zuiden kreeg de 4th Armored het bevel om door te stoten totdat de tanks droogstonden om dan te
voet verder te gaan. Het Derde Leger werd aangevoerd door het XII en XX Corps; hier hergroeperen pantservoertuigen van
dat korps zich op 17 augustus 1944 bij Chartres.

Begin september 1944 stond het Derde Leger aan de Moezel. Na zware gevechten had het XII Corps een bruggenhoofd
over de rivier geslagen. Hier passeert een jeep van de 4th Armored Division een medische jeep van de 35th Infantry.

Na de snelle opmars door Frankrijk raakte het Derde Leger eerst in de slag om Metz en toen onderweg naar de Duitse
grens in hevige gevechten gewikkeld, met zware verliezen aan beide zijden. De aanval op de goed verdedigde stad Metz en
zijn kring van forten - waarvan het laatste standhield tot half december - was exemplarisch voor de strijd. De stad werd
uiteindelijk ingenomen na aanvallen vanuit het oosten.

De slag om Metz begon eind september 1944, maar pas op 18 november 1944 slaagden Amerikaanse troepen erin de stad
binnen te trekken. Metz capituleerde op 22 november 1944, al hielden de forten het nog langer vol.

M10-antitankvoertuig in Metz.

a Metz waren de volgende stapstenen naar het Reich de steden van het Saarland, zoals Saarlautern (dat nu weer Saarlouis
heet) en Saarbrücken, waarvan de verdediging werd ondersteund door de versterkingen van de Westwall. Dit M10
antitankvoertuig werd uitgeschakeld in het gevecht om Saarlautern.

'Der Mann kann fallen, die Fahne nicht'. Nazislogan op een muur in Metz.

De Westwall verraste de geallieerden, die niet wisten hoe complex die was aangelegd, met aaneengekoppelde grotere en
kleine bunkers, elk met vuurlijnen die het naburige bouwwerk beschermden. Verder waren er geschutskopels, drakentanden
(betonnen obstakels tegen tanks), bunkers vermomd als huizen en pantserkoepels voor machinegeweren. Dillingen
Pachten was bijzonder goed verdedigd wat hieronder te zien is.

Langs de Franse kust

Dit is de Noord-Franse kust nabij de Belgische grens richting Duinkerken, waar de beroemde stranden liggen vanwaar de
Britten zich in 1940 terugtrokken van het vastelad. Bij eb zijn nog altijd overblijfselen van schepen te zien (E) Er liggen vele
stukken Atlantikwall aan dit stuk kust, veelal gebouwd op oudere Franse verdedigingswerken. Hier is de MKB Malo
Terminus (A) te zien, gebouwd boven op een Frans fort uit de 18e eeuw. Deze versterking en het Fort des Dunes (B) werden
aangevallen en veroverd in juni 1940. Ook werden nieuwe bunkers en geschutsemplacementen gebouwd. Fort des Dunes
werd Funkmeßortungsstelling Dahlie. Ten noorden van de batterij staat een E219 Doppelschartenstand (C), een
antitankkazemat met twee vuurmonden. Bij (D) zat de R636-commandopost voor een kustbatterij van vier 15,5 cm
kanonnen.

Hier is de MKB Malo Terminus (A) te zien, gebouwd boven op een Frans fort uit de 18e eeuw.

Bij (D) zat de R636-commandopost voor een kustbatterij van vier 15,5 cm kanonnen.

Dieppe neemt een speciale plaats in voor de Canadezen. Hier landden 5000 landgenoten van de 2nd Infantry Division, 1000
Britse commando's en 50 US Rangers met pantsersteun van The Calgary Regiment. De aanval werd een ram: 3367
Canadese doden, gewonden of gevangenen. De commando's verloren 247 man. De Royal Navy verloor een destroyer en 33
landingsvaartuigen en telde 550 doden en gewonden. De RAF verloor 106 vliegruigen. De Duitsers verloren 591 soldaten en
48 vliegtuigen. Nadat Dieppe op 1 september 1944 in handen van de Canadese 2nd Infantry Division was gevallen, was er
veel belangstelling voor de verdedigingswerken. Hier onderzoeken officieren Duitse versterkingen boven het smalle strand
van Puits, dat was aangevallen door het Royal Regiment of Canada.

Op het naburige militaire kerkhof werd een herdenkingsdienst gehouden.

In de loop van de tijd is de Atlantikwall deels onder het zand verdwenen. Deze bunker ligt ten zuiden van Boulogne,
onderdeel van Stutzpunkt Obelisk. De twee grote bunkers zijn een R612 (A) Schartenstand für Land und Sturmgeschütze,
een kazemat met een groot kanon en een R502 (B) Doppelgruppenunterstand, een personeelsbunker. Links is een stelling
voor een 5 cm KwK (C).

Le Havre was vrijwel volledig verwoest voor de aanval in april 1944. 2000 burgers kwamen om en 350 schepen en 18 km
haven alsmede 15.000 gebouwen werden vernietigd. De weigering te voldoen aan het verzoek van de Duitse vevelhebber
kolonel E. Wildermuth om de Franse burgers vóór het bombardement te evacueren, is omstreden.

Geallieerde bommenwerpers vlogen in april 1944 op Dieppe: zoals bij veel kustplaatsen bombardeerden de RAF en USAAF
havens en dokken. Gelukkig voor de inwoners verlieten de Duitsers Dieppe zonder te vechten, dus leed de stad niet onder
het gebruikelijke artilleriebombardenent.

Hitler had Boulogne tot fort bestempeld en het werd verdedigd door 10.000 man. Tijdens Operatie Wellhit nam de
Canadese 3rd Infantry Division, met steun van de BR 79th Armoured Division, de stad in, na hevige gevechten van 17 tot 22
september 1944. Het havengebied was op 15 juni 1944 verwoest door een RAF-aanval met ondermeer Lancasters met
'Tallboy'-bommen, maar toch werd er vanaf Dungeness een PLUTO-oliepijplijn aangelegd. Die was op 10 oktober 1944 in
bedrijf.

Operatie Pluto

Operatie Pluto (Pipe-Lines Under The Ocean) was een operatie van Britse wetenschappers, olieproducenten en
strijdkrachten tijdens de Tweede Wereldoorlog, na de landing in Normandië. Het doel was het leggen van onderzeese
pijpleidingen in het Kanaal tussen Engeland en Frankrijk om de oprukkende geallieerde strijdmachten in Europa van
brandstof te voorzien. Het verste punt was Maastricht. Het plan was uitgewerkt door A.C. Hartley, hoofdingenieur bij de
Anglo-Iranian Oil Company, nadat admiraal Louis Mountbatten het concept had aangereikt. De pijpleidingen waren nodig om de afhankelijkheid van olietankers te verminderen. Deze konden worden vertraagd door slecht weer of worden aangevallen door Duitse U-boten. Bovendien waren de olietankers nodig in de strijd in de Stille Oceaan.
Na een test in het Kanaal van Bristol met een 83km lange 2 inch pijplijn tussen Swansea en Watermouth, werd op 12
augustus 1944 de 130 km lange pijplijn met een 3 inch diameter van Shanklin door de Shanklin Chine op het Isle of Wight
over het Kanaal naar Cherbourg in gebruik genomen. In januari 1945 werd er 305 ton brandstof per dag naar Frankrijk
gepompt, oplopend tot 4000 ton per dag aan het einde van de oorlog, gebruikmakend van een 18 tal pijpleidingen. In totaal
is er ca. 781.000 kubieke meter brandstof verpompt door de Pluto pijpleidingen.

Pomp gebruikt voor Operatie Pluto bij Sandown op het eiland Wight.

Pijpleiding Operatie Pluto.

Zicht vanuit de lucht op een bomaanval op Mont Lambert, Frankrijk. Canadese troepen wisten het dorp en de
artilleriestellingen op de eerste dag van de strijd bij het vallen van de avond in handen te krijgen.

De Atlantikwall langs de kust van het departement Pas de Calais behoorde tot de zwaarst verdedigde delen. Het gebied
rond Boulogne, Cap Gris Nez en Calais was bezaaid met elk denkbaar type emplacement. Hier zien we Stutzpunkt 265
Lungenkraut. Dicht bij het dorp Équihen, ten zuiden van Boulogne, liggen de overblijfselen van vijf ongewone SK-bunkers
(SK: Sonderkonstruktion = speciaal gebouwde), onderdeel van het navigatiesysteem van de Luftwaffe FuG121 Erika. Ze
liggen ook bij Saint-Pierre-Église op Cotentin. Door te luisteren naar de twee stations konden vliegtuigen hun precieze
positie bepalen (tot op 400 m). Hier bevinden zich ook enkele FlaK-stellingen.

Tussen Équihen en Le Portel ligt Kriegsmarine Station Nessel. Het heeft een V143 bunker die zal zijn uitgerust met een
Mammut-radarstation. Mammut was 's werelds eerste fasegestuurde radarsysteem. Naast de V143 staan twee R622
bunkers voor de bemanning en, zoals hier te zien, zes L401-bunkers die zorgden voor de FlaK -luchtafweer (zij konden 8,8
cm of 10,5 cm AA-kanonnen huisvesten), met in het midden een commandopost.

Stutzpunkt 259 Pechnelke had vier R671-emplacementen, alsmede een 9,4 cm FlaK-emplacement en een aantal
personeelsbunkers, waaronder een ziekenhuisbunker.

Je kunt niet dichter bij Engeland komen dan Cap Gris Nez. Na de val van Frankrijk bouwden de Duitsers een aantal
kustbatterijen die konden worden ingezet tegen schepen, de Britse zuidkust konden beschieten en de geplande invasie in
Engeland konden ondersteunen. Tussen augustus 1940 en 26 september 1944 - de dag dat het laatste schot werd gelost
over het Kanaal - werd Kent ruim duizend keer geraakt, waarbij ruim 200 burgers omkwamen en meer dan 10.000
gebouwen werden beschadigd. De inname van CValais en de batterijen vond plaats tussen 25 en 30 september 1944
tijdens Operatie Undergo door de Canadese 3rd Infantry Division. Ondanks de 'fort' bestemming vochten Calais en de
batterijen niet tot de laatste man, waardoor de Canadese verliezen beperkt gehouden konden worden.

In deze bunkers op Cap Griz Nez bevond zich een radar installatie.

Batterij Todt (Duits: Batterie Todt, ex Batterie Siegfried) Is een kustbatterij gebouwd door de Duitse Wehrmacht tijdens de
Tweede Wereldoorlog. Het complex werd gebouwd door Organisation Todt, nabij het Franse dorp Audinghen, aan Het
Kanaal bij Cap Gris-Nez in het departement Pas-de-Calais. Het maakte onderdeel uit van de Atlantikwall en de bewapening
bestond uit vier kanonnen met een kaliber van 38 centimeter. Het maximum bereik lag op 55 kilometer en de granaten
konden Engeland bereiken.

Opname gemaakt na de val van de batterij. Het getrapte schietgat moest voorkomen dat splinters of fragmenten
doorschoten tot de ruimte waar de bemanning zich bevond.

Tegenwoordig huisvest één van de vier enorme bunkers van Batterie Todt, waar 380 mm kanonnen stonden, het
Atlantikwall Museum en op de foto is te zien dat voor het museum een Duits Krupp K5-spoorweggeschut staat. De batterij
die oorspronkelijk MKB (Marine Küsten Batterie) Siegfried heette - werd in januari 1942 voltooid door Organisation Todt, de
arbeidsorganisatie genoemd naar Fritz Todt, die de leiding had over de bouw van de Atlantikwall, tot zijn dood bij een
vliegramp in februari van dat jaar. Het complex omvat een aantal personeelsbunkers, FlaK-emplacementen, munitiebunkers
etc.

WN 79 'Otter' ligt ten westen van Fort Lapin. Bijna verzonken in het zand liggen de twee R612-kazematten; daarachter ligt
een grote commandopost die verbonden was met de verschillende batterijen in het gebied: Lindemann, Oldenburg, Todt en
Grosser Kurfürst.

Ten westen van 'Otter' ligt Stutzpunkt Pinguin waarvan slechts één van de M176-kazematten zichtbaar is. Daarachter ligt
Fort Lapin, oorspronkelijk een veldschans uit 1690. Tussen de oorlogen werd het verbouwd om vier 164,7 mm kanonnen te
huisvesten. Het maakte deel uit van de verdedigingswerken rondom Calais.

Batterij Lindemann