1939 Mobilistatie
Op 29 augustus 1939 vond de algehele mobilisatie plaats. Deze soldaat wordt door zijn vrouw naar het station Groningen
gebracht om per trein naar zijn mobilisatiebestemming te reizen.
Op het station van Groningen neemt deze militair afscheid van zijn gezin om naar zijn mobilisatiebestemming te gaan.
Terwijl zijn vrouw en zijn jongste dochter in tranen uitbarsten, kust hij zijn jongste telg. Een treffende foto die laat zien dat
het heel moeilijk was afscheid te nemen om een onzekere toekomst tegemoet te gaan
Zandzakken voor PTT-kantoor 1940
Soldaten tijdns de mobilisatiewinter 1939-1940 in Stadskanaal
Verdediging aan het Ruiten A Kanaal tijdens de mobilisatie in 1940
De ramen worden afgeplakt om te voorkomen dat de scherven in het rond vliegen als er een bombardement plaats vindt.
1940 Oorlog en bezetting
Op 10 mei 1940 vielen Duitse troepen in de vroege ochtend de provincie Groningen binnen, als onderdeel van de grootschalige aanval op Nederland. Omdat de Nederlandse verdedigingsstrategie gericht was op het beschermen van West-Nederland (Vesting Holland), trokken de Nederlandse grenstroepen in Groningen zich volgens plan snel terug.
Boogbrug in Winsum opgeblazen op 10 mei 1940
Opgeblazen brug in Ten Post op 10 mei 1940
Inzamelactie in Veendam 1940
Spoedig na de capitulatie op 15 mei 1940 verschenen er Duitse aanwijs- en richtingborden in het straatbeeld.
Arthur Seyss-Inquart was tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940–1945) de hoogste nazi-bestuurder in het land, met de titel Reichskommissar. Zijn aanwezigheid op de Grote Markt in Groningen stond symbool voor de Duitse machtsuitoefening in de bezette stad. De Grote Markt, normaal een centraal plein voor handel, ontmoeting en openbare gebeurtenissen, kreeg in de oorlogsjaren ook een beladen betekenis door optochten, toespraken en militaire aanwezigheid. Seyss-Inquart was medeverantwoordelijk voor het onderdrukkingsbeleid, de vervolging en deportatie van Joodse Nederlanders en de economische uitbuiting van Nederland. Na de oorlog werd hij in Neurenberg berecht voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid; in 1946 werd hij ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.
1940 Actie tegen de Nederlandse Unie in Veendam.Deze gebeurtenis betreft een actie tegen de Nederlandse Unie in Veendam tijdens de Duitse bezetting. De Nederlandse Unie was een beweging die in 1940 ontstond en probeerde binnen de beperkte ruimte van de bezetting Nederlandse belangen te behartigen. De beweging kreeg aanvankelijk veel steun, maar kwam steeds meer onder druk te staan van de Duitse bezettingsautoriteiten. Uiteindelijk werd de Nederlandse Unie in december 1941 verboden. De actie in Veendam laat zien dat ook plaatselijk verzet, controle en onderdrukking onderdeel waren van het dagelijks leven in oorlogstijd.
In de Zwanestraat in Groningen vond een actie plaats tegen de Nederlandse Unie. De bijeenkomst trok aandacht van voorbijgangers en benadrukte het verzet tegen de organisatie en haar standpunten. De actie verliep in het centrum van de stad, waar deelnemers hun boodschap zichtbaar maakten.
J. Linthorst Homan, voormalig commissaris der Koningin, is hier afgebeeld met zijn gezin. De foto toont een persoonlijk moment rond zijn ontslag uit deze bestuurlijke functie.
15 juni 1940 – Een maand na de Nederlandse capitulatie keerden Nederlandse militairen terug uit de Duitse krijgsgevangenschap. Na de gevechten van mei 1940 waren duizenden soldaten naar Duitsland afgevoerd. In juni begon de Duitse bezetter met hun vrijlating, waardoor veel militairen weer naar huis konden. De terugkeer betekende voor hen en hun families een emotioneel weerzien, maar vond plaats in een land dat inmiddels onder Duitse bezetting stond.
In 1940 werd de hoek van de Westersingel en de Verlengde Visserstraat zwaar getroffen door de verwoestingen van het bombardement op Rotterdam. Waar vóór de oorlog een levendig stadsdeel stond, bleef na 14 mei 1940 een sterk beschadigd en grotendeels verlaten gebied achter. De schade op deze locatie maakte deel uit van de grootschalige vernietiging van het Rotterdamse stadscentrum, die het straatbeeld en het dagelijks leven van de stad ingrijpend veranderde.
In 1940 raakte een perceel aan de Reitdiepskade in Groningen verwoest. Deze gebeurtenis vond plaats in een roerige periode voor de stad, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Het getroffen perceel maakte deel uit van de karakteristieke kadebebouwing langs het Reitdiep, een gebied dat van oudsher nauw verbonden is met scheepvaart, handel en stedelijke ontwikkeling. De verwoesting veranderde tijdelijk het straatbeeld en markeerde een ingrijpend moment voor de directe omgeving.
In mei 1940 hielden Duitse troepen een overwinningsparade op de Grote Markt in Groningen, kort na de Duitse inval in Nederland. De parade vormde een zichtbaar machtsvertoon tijdens de eerste dagen van de bezetting. Voor veel inwoners markeerde deze gebeurtenis het begin van een ingrijpende periode van oorlog, beperkingen en onzekerheid die zou voortduren tot de bevrijding in 1945.
1941 Bezetting
De Duitse bezetting van Groningen begon op 10 mei 1940, toen Duitse troepen Nederland binnenvielen. Na de Nederlandse capitulatie op 15 mei kwam ook Groningen onder Duits bestuur te staan. In de stad en provincie kregen inwoners te maken met maatregelen zoals avondklokken, distributie van voedsel en brandstof, censuur en verplichte tewerkstelling. Joodse Groningers werden stap voor stap uitgesloten van het openbare leven, gearresteerd en gedeporteerd; slechts een klein deel van hen overleefde de oorlog. Tegelijkertijd ontstond verzet, onder meer door het verspreiden van illegale kranten, het helpen van onderduikers en sabotage. De bezetting eindigde in april 1945. Tijdens de bevrijding van de stad Groningen werd zwaar gevochten tussen Duitse troepen en Canadese militairen. Daarbij raakten delen van de binnenstad beschadigd en vielen er slachtoffers. Op 16 april 1945 was de stad bevrijd. De provincie Groningen werd in de daaropvolgende weken volledig bevrijd. De oorlogsjaren hebben blijvende sporen nagelaten in de stad, in dorpen in de provincie en in de herinnering aan de slachtoffers en het verzet.
10 augustus 1941 — Voorwerpen van koper, nikkel, tin en lood dienen te worden ingeleverd. Het betreft metalen gebruiksvoorwerpen en andere voorwerpen die geheel of gedeeltelijk uit deze materialen bestaan. Lever de voorwerpen in volgens de plaatselijke aanwijzingen en binnen de daarvoor gestelde termijn.
Overal in het straatbeeld verschenen borden met de tekst ‘Voor Joden verboden’. Deze borden maakten de systematische uitsluiting en vervolging van Joodse inwoners tijdens de Tweede Wereldoorlog zichtbaar in het dagelijks leven. Joden werden stap voor stap buitengesloten van openbare plekken, winkels, scholen en verenigingen. De boodschap op de borden was vernederend en bedreigend: Joodse mensen waren niet langer welkom en werden behandeld als minderwaardig. Het is belangrijk deze geschiedenis te blijven benoemen, zodat duidelijk blijft welke gevolgen discriminatie, uitsluiting en antisemitisme kunnen hebben.
In 1941 marcheert de Weerbaarheidsafdeling (WA), de geüniformeerde ordedienst van de NSB, door de Gelkingestraat in Groningen. De optocht is een zichtbaar voorbeeld van de aanwezigheid en propaganda van de nationaalsocialistische beweging tijdens de Duitse bezetting. De straat vormt daarmee het decor van een periode waarin het dagelijks leven in de stad ingrijpend werd beïnvloed door oorlog, onderdrukking en politieke spanningen.
In 1941 was aan de Ubbo Emmiussingel in Groningen een Ortskommandantur gevestigd: het lokale militaire bestuursorgaan van de Duitse bezetter. Vanuit deze locatie werden tijdens de Tweede Wereldoorlog militaire en bestuurlijke zaken geregeld, waaronder vorderingen, vergunningen en contacten met Nederlandse autoriteiten. De aanwezigheid van de Ortskommandantur maakte de Duitse bezetting zichtbaar in het dagelijks leven van de stad. De Ubbo Emmiussingel, normaal een rustige singel nabij het centrum, kreeg daarmee tijdelijk een belangrijke functie binnen het bezettingsapparaat.
In 1941 verlaat rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart het Scholtenhuis in Groningen. Tijdens de Duitse bezetting was dit gebouw aan de Grote Markt in gebruik als hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD). Het Scholtenhuis groeide uit tot een beruchte plaats van verhoor, gevangenschap en terreur tegen verzetsmensen en andere tegenstanders van het naziregime.
In 1941 hangt aan de voorgevel van het stadhuis een hakenkruisvlag, als zichtbaar symbool van de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog. De vlag benadrukt de aanwezigheid en macht van het naziregime in het openbare leven en roept een beladen periode uit de lokale geschiedenis in herinnering.
Op 13 maart 1941 stortte bij Jipsinghuizen in Westerwolde een Britse Wellington-bommenwerper neer, nadat deze was neergeschoten door een Duits vliegtuig. Op de foto staan de Duitse vlieger en zijn marconist bij het wrak van het toestel. De gebeurtenis vond plaats tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen Britse bommenwerpers regelmatig missies uitvoerden boven bezet Nederland en Duitsland. Het neerstorten van de Wellington maakte de oorlog ook in deze grensstreek direct zichtbaar.
Op 13 juli 1941 brachten inwoners spontaan bloemen naar de plek waar Britse vliegers waren neergeschoten. Met dit stille gebaar toonden zij hun respect voor de bemanningsleden die tijdens de oorlog hun leven waagden in de strijd tegen nazi-Duitsland. De bloemenhulde was meer dan een persoonlijk teken van medeleven: in een tijd van bezetting liet zij ook zien dat veel mensen zich verbonden voelden met de geallieerde vliegers en hun strijd voor vrijheid.
Op 1 maart 1941 lag bij Oosterhoogebrug het wrak van een Bristol Blenheim, een Britse lichte bommenwerper die tijdens de Tweede Wereldoorlog veel werd ingezet. De aanwezigheid van het toestel herinnert aan de luchtoorlog boven Nederland, waar Britse vliegtuigen geregeld op weg waren naar doelen in Duitsland of na een missie terugkeerden naar Engeland. Neergestorte vliegtuigen en hun bemanningen maakten de oorlog ook voor inwoners van Groningen zichtbaar en ingrijpend. Het wrak bij Oosterhoogebrug vormt daarmee een tastbare herinnering aan de gebeurtenissen van die dag.
Op vrijdagavond 26 september 1941 werd het westelijk deel van de stad Groningen getroffen door brisantbommen en staafbrandbommen. De aanval veroorzaakte schade aan gebouwen en bracht grote onrust onder de bewoners. Brisantbommen hadden een zware explosieve kracht, terwijl staafbrandbommen bedoeld waren om branden te veroorzaken. Het bombardement maakte deel uit van de oorlogsomstandigheden waarmee Groningen tijdens de Tweede Wereldoorlog werd geconfronteerd.
Dit anti-Duitse opschrift dateert uit 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In deze periode waren openlijke kritiek op de bezetter en uitingen van verzet verboden en konden zij zware gevolgen hebben. Opschriften op muren, straten of andere openbare plaatsen waren daarom vaak een directe, maar riskante manier om onvrede en verzet zichtbaar te maken. Het opschrift vormt een herinnering aan de spanningen, angst en moed die het dagelijks leven in bezet Nederland kenmerkten.
Jozef Israëlsstraat, 26 september 1941. Op 26 september 1941, tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog, werd Groningen getroffen door een bombardement. De aanval maakte deel uit van de geallieerde luchtoorlog tegen Duitse doelen in Nederland. Hoewel militaire en infrastructurele doelen centraal stonden, kwamen bommen ook in de bebouwde omgeving terecht. Daardoor raakten woningen en andere gebouwen beschadigd en werden inwoners van Groningen direct met de oorlog geconfronteerd. Het bombardement herinnert eraan dat ook steden buiten de frontlinie kwetsbaar waren voor luchtaanvallen en dat de gevolgen voor de burgerbevolking groot konden zijn.
1942 Toenemende onderdrukking
In 1942 werd de Duitse bezetting in Groningen merkbaar harder. De bezetter voerde anti-Joodse maatregelen verder op: Joodse inwoners werden uitgesloten van steeds meer delen van het openbare leven, moesten een Jodenster dragen en liepen een toenemend risico op arrestatie en deportatie via kamp Westerbork in Drenthe. Ook andere Groningers kregen te maken met strengere controles, censuur en vervolging van mensen die zich tegen de bezetting uitspraken of bij het verzet betrokken waren. Jonge mannen konden worden opgeroepen voor de Arbeidsinzet in Duitsland, waardoor velen probeerden onder te duiken. Razzia’s, arrestaties en de aanwezigheid van Duitse en Nederlandse handhavers zorgden voor angst en onzekerheid. Tegelijkertijd groeide het verzet, onder meer door hulp aan onderduikers, het verspreiden van illegale kranten en het vervalsen van persoonsbewijzen. De toenemende onderdrukking maakte 1942 tot een ingrijpend en gevaarlijk jaar voor veel inwoners van Groningen.
De klokkenroof
In 1942, tijdens de Duitse bezetting, werden de klokken uit de rooms-katholieke Kerk van het Heilig Hart aan de Moesstraat gevorderd en afgevoerd. De bezetter nam in heel Nederland kerkklokken in beslag om het metaal te gebruiken voor de oorlogsindustrie. Voor de parochie betekende het verlies van de klokken meer dan alleen het verdwijnen van waardevol materiaal: hun geluid hoorde bij het dagelijkse leven, de vieringen en de belangrijke momenten binnen de geloofsgemeenschap. De klokkenroof is daarmee een tastbare herinnering aan de gevolgen van de oorlog voor de kerk en haar omgeving.
In 1942 werden tijdens de Duitse bezetting op grote schaal kerkklokken uit Nederland gevorderd. Ook aan de Wilhelminakade liet deze oorlogspolitiek haar sporen na. Klokken, die vaak al generaties lang het ritme van de buurt bepaalden, werden uit torens gehaald en afgevoerd. De bezetter wilde het brons gebruiken voor de wapenindustrie. Voor bewoners betekende de klokkenroof meer dan het verlies van waardevol metaal: het verdwijnen van het vertrouwde geluid werd ervaren als een zichtbaar en hoorbaar teken van onderdrukking. Veel klokken keerden na de oorlog niet terug, waardoor gemeenschappen nieuwe exemplaren moesten laten gieten of jarenlang met een lege klokkentoren achterbleven.
1942 Klokkenroof aan de Wilhelminakade
De deportatie van de Joden
In 1942 begon de systematische deportatie van Joden uit Nederland tijdens de Duitse bezetting. De nazi’s riepen Joodse mensen op zich te melden, vaak met de mededeling dat zij in Duitsland zouden gaan werken. In werkelijkheid werden zij via doorgangskamp Westerbork op transport gezet naar concentratie- en vernietigingskampen, vooral Auschwitz-Birkenau en Sobibor. De deportaties hadden ingrijpende gevolgen: van de ongeveer 140.000 Joden die vóór de oorlog in Nederland woonden, werd het merendeel vermoord. De deportaties maakten deel uit van de Holocaust, de georganiseerde vervolging en massamoord op Joden door nazi-Duitsland en zijn medestanders.
Op steeds meer plaatsen verschenen borden met de tekst: ‘Voor Joden verboden’. Onze Joodse landgenoten werden hierdoor stap voor stap uit het openbare leven en de samenleving uitgesloten. Zij mochten bijvoorbeeld niet meer in bepaalde winkels, parken, scholen of openbare voorzieningen komen. Deze discriminerende maatregelen maakten deel uit van de vervolging van Joden tijdens de Duitse bezetting in Nederland.
Tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940–1945) werden Joden stap voor stap uitgesloten, geregistreerd en vervolgd. Anders dan in sommige Oost- en Midden-Europese gebieden waren Joden in Nederland niet algemeen verplicht om voorafgaand aan deportatie in afzonderlijke Joodse wijken, ook wel Judenviertel of getto’s genoemd, te wonen. Wel werden veel Joden gedwongen hun woonplaats te verlaten of samengebracht in aangewezen locaties, zoals kamp Westerbork, dat diende als doorgangskamp. Vanuit Westerbork en andere verzamelplaatsen werden zij gedeporteerd naar vernietigings- en concentratiekampen, waaronder Auschwitz en Sobibor.
In 1942 werd ook de Vismarkt voor Joden verboden. Deze maatregel maakte deel uit van de steeds verdergaande uitsluiting van Joodse inwoners tijdens de Duitse bezetting. Joden mochten steeds minder gebruikmaken van openbare plaatsen, winkels en voorzieningen. Het verbod op toegang tot de Vismarkt beperkte niet alleen het dagelijkse leven, maar onderstreepte ook de discriminatie en isolatie waaraan Joodse Nederlanders in deze periode werden blootgesteld.
Tijdens de Duitse bezetting werden Joden in Nederland steeds verder uitgesloten van het openbare leven. In sommige plaatsen mochten zij ook geen gebruik meer maken van schuilkelders tijdens luchtaanvallen. Deze maatregel maakte duidelijk hoe ver de discriminerende en onmenselijke regels van de nazi-bezetter gingen: zelfs bescherming tegen oorlogsgeweld werd hun ontzegd.
In 1942 vond op de Vismarkt propaganda plaats voor het Nederlandsche Arbeidsfront (NAF), een organisatie die tijdens de Duitse bezetting was opgericht als vervanger van de vrije vakbonden. Het NAF maakte deel uit van de nationaalsocialistische orde en had als doel werknemers en werkgevers onder staatsgezag te organiseren. Met bijeenkomsten, toespraken, affiches en andere publieke acties probeerde de organisatie steun te verwerven en haar boodschap zichtbaar te maken in het dagelijks straatbeeld. De propaganda op de Vismarkt illustreert hoe de bezetter en collaborerende organisaties openbare plekken inzetten om invloed uit te oefenen op de bevolking.
1943 Vervolging en onderduiken
In 1943 nam de vervolging van Joden in Nederland verder toe. Vanuit doorgangskamp Westerbork werden vrijwel wekelijks mensen gedeporteerd naar vernietigingskampen in bezet Polen, waaronder Auschwitz en Sobibór. Ook Roma en Sinti, verzetsmensen, homoseksuelen en anderen die door de bezetter werden vervolgd, liepen groot gevaar. Voor veel Joodse Nederlanders bleef onderduiken de enige kans om aan deportatie te ontkomen. Zij vonden soms onderdak bij familie, bekenden of onbekende gezinnen, op boerderijen, in steden en op afgelegen plekken. Onderduiken betekende leven in onzekerheid: onderduikers mochten vaak niet naar buiten, moesten stil zijn en waren afhankelijk van voedselbonnen en hulp van anderen. Verzetsgroepen en organisaties, zoals de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers, regelden schuilplaatsen, valse persoonsbewijzen en voedsel. Wie onderduikers hielp, riskeerde arrestatie, gevangenschap of deportatie. Ondanks deze risico’s boden duizenden Nederlanders hulp. Toch werden veel onderduikers verraden of tijdens razzia’s opgepakt. Het jaar 1943 laat zien hoe diep de angst en vervolging het dagelijks leven bepaalden, maar ook hoeveel moed nodig was om anderen te beschermen.
In 1943 werd in de Vosseberg, tussen Onstwedde en Mussel, een onderduikershol gebruikt als schuilplaats tijdens de Duitse bezetting. Onderduikers zochten er bescherming tegen arrestatie, dwangarbeid en vervolging. De afgelegen ligging in het bos bood enige veiligheid, maar het verblijf was zwaar: de ruimte was klein, vochtig en donker, en ontdekking vormde voortdurend een gevaar. Dankzij de hulp en moed van mensen uit de omgeving konden onderduikers worden voorzien van voedsel, kleding en informatie. Het onderduikershol herinnert aan de onzekere oorlogsjaren en aan het verzet en de solidariteit van de lokale bevolking.
In 1943 leefden veel onderduikers noodgedwongen verborgen voor de Duitse bezetter. Zij doken onder om vervolging, arrestatie of gedwongen tewerkstelling te ontlopen. Slaapplaatsen waren vaak klein, sober en tijdelijk ingericht, bijvoorbeeld op zolders, in kelders of achter verborgen wanden. Het dagelijks leven stond in het teken van stilte, voorzichtigheid en afhankelijkheid van mensen die hulp boden met onderdak, voedsel en informatie.
In 1943 doken in Nederland duizenden mensen onder om te ontkomen aan arrestatie, deportatie of dwangarbeid tijdens de Duitse bezetting. Onderduikers waren onder anderen Joden, verzetsmensen, geallieerde piloten en mannen die niet wilden werken voor de Duitse oorlogsindustrie. Zij verbleven vaak bij gastgezinnen, op boerderijen, in schuren of in speciaal ingerichte schuilplaatsen. Het bieden van onderdak was gevaarlijk: zowel onderduikers als helpers liepen het risico op gevangenschap of deportatie. Toch ontstonden er door het hele land netwerken die zorgden voor onderduikadressen, voedselbonnen, valse papieren en contact met familie. De verhalen uit 1943 laten zien hoeveel moed, solidariteit en volharding nodig waren om in deze moeilijke omstandigheden te overleven.
De Duitse bezetter reageerde buitengewoon hard op de april-meistakingen van 1943. De stakingen begonnen op 29 april 1943, nadat bekend was geworden dat Nederlandse oud-militairen opnieuw in Duitse krijgsgevangenschap moesten. Vanuit Hengelo verspreidde het protest zich snel over grote delen van Nederland. De bezetter kondigde de staat van beleg af, stelde avondklokken in en zette politie, Wehrmacht en SS in om stakers op te sporen. Op veel plaatsen werden mensen zonder zorgvuldig proces gearresteerd, mishandeld of door standrechtelijke rechtbanken veroordeeld. Tientallen stakers en vermeende organisatoren werden geëxecuteerd; ook vielen er slachtoffers doordat Duitse troepen op demonstranten en omstanders schoten. Daarnaast werden werknemers bedreigd met ontslag, gevangenisstraf of deportatie naar Duitsland. Door deze terreur liep de staking begin mei geleidelijk af. De harde Duitse reactie maakte duidelijk dat openlijk verzet grote risico’s met zich meebracht, maar de stakingen waren tegelijk een belangrijk teken dat de Nederlandse bevolking zich niet zonder meer bij de bezetting neerlegde.
In 1943 werd een celwagen van de arrondissementsrechtbank door twee wachtmeesters gebruikt om werkzaamheden voor de illegaliteit te ondersteunen. Tijdens de Duitse bezetting bood het voertuig een betrekkelijk onopvallende mogelijkheid om mensen, berichten of materialen te vervoeren. Daarmee namen de twee wachtmeesters grote persoonlijke risico’s: hulp aan het verzet werd door de bezetter streng bestraft. Hun optreden laat zien dat ook binnen officiële diensten mensen hun positie gebruikten om bij te dragen aan het ondergrondse verzet.
In 1943 werden in Nederland talloze radio’s op last van de Duitse bezetter ingeleverd. De bezettingsmacht vreesde dat mensen via buitenlandse zenders, zoals Radio Oranje, informatie zouden ontvangen die niet door de nazi-propaganda werd gecontroleerd. De ingezamelde toestellen werden verzameld en vervolgens naar Duitsland vervoerd. Daar konden de radio’s worden hergebruikt voor de Duitse oorlogsindustrie of voor andere doeleinden. Het inleveren van een radio betekende voor veel gezinnen niet alleen het verlies van een kostbaar bezit, maar ook van een belangrijke verbinding met nieuws, muziek en de buitenwereld.
Het Scholtenhuis aan de Grote Markt in Groningen was tijdens de Duitse bezetting het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD) en de Sicherheitspolizei. Tussen 1940 en 1945 werden hier verzetsmensen, Joden en andere vervolgden verhoord, gevangengezet en vaak mishandeld. Het gebouw groeide uit tot een symbool van angst en onderdrukking in de stad. Kort voor de bevrijding van Groningen in april 1945 staken terugtrekkende Duitse troepen het Scholtenhuis in brand.
In 1943 paradeert de Landstorm voor het Scholtenhuis, dat inmiddels is getooid met het V-teken. Dit teken verwijst naar de V-actie vanuit Londen, een propagandacampagne van de geallieerden tijdens de Tweede Wereldoorlog. De letter V staat voor victory, oftewel overwinning. Ook in morsecode kreeg het teken betekenis: de eerste drie tonen van Beethovens Vijfde symfonie vormen samen het ritme van de letter V in morsecode (drie korte en één lange toon)
Deze plaquette bevond zich in de inmiddels afgebroken Naberpassage, aan de oostzijde van de Grote Markt in Groningen. Op deze locatie stond tijdens de Tweede Wereldoorlog het beruchte Scholtenhuis, dat door de Duitse Sicherheitsdienst (SD) werd gebruikt als hoofdkwartier. Het gebouw was een plek van verhoor, gevangenschap en geweld tegen verzetsmensen en andere slachtoffers van de bezetting.
Als gevolg van het toenemende gevaar vanuit de lucht werden in 1943 overal in Groningen schuilkelders gebouwd, waaronder op de Vismarkt. Overvliegende bommenwerpers, onderweg naar Duitsland, en beschietingen door Duitse vliegtuigen en luchtafweer maakten bescherming voor de bevolking noodzakelijk.
In 1943, tijdens de Tweede Wereldoorlog, werden aan de Sint Jansstraat in Groningen schuilkelders aangelegd. Deze bevonden zich nabij de Grote Markt en de Martinikerk en boden inwoners bescherming tegen mogelijke luchtaanvallen. De kelders herinneren aan een periode waarin het dagelijks leven in de binnenstad werd bepaald door onzekerheid en de noodzaak om snel een veilige schuilplaats te kunnen vinden.
1944 Het laatste jaar
In 1944 bleef Groningen nog bezet door nazi-Duitsland, terwijl de oorlog voor veel inwoners steeds zwaarder werd. Na de geallieerde landing in Normandië in juni groeide de hoop op een snelle bevrijding, maar die liet in het noorden nog maanden op zich wachten. De voedselvoorziening verslechterde, er was gebrek aan brandstof en veel mensen leefden in onzekerheid door razzia’s, verplichte arbeid en vervolging. Het verzet bleef actief met onderduikadressen, het verspreiden van illegale kranten en hulp aan mensen die moesten vluchten. Ook de spoorwegen en andere belangrijke voorzieningen stonden onder streng Duits toezicht. In de stad en provincie Groningen werd de spanning voelbaar naarmate het front dichterbij kwam. Toch volgde de bevrijding pas in april 1945, toen Canadese troepen Groningen bereikten en na zware gevechten de stad bevrijdden. Daarmee kwam een einde aan vijf jaar bezetting, maar de herinnering aan het laatste oorlogsjaar bleef diep verbonden met verlies, moed en hoop.
In 1944 werd het voedseltekort steeds nijpender. Op de foto staat een lange rij mensen voor de winkel van Meyer’s Koek. Zij wachten geduldig om op vertoon van hun voedselbon een reep koek te kunnen kopen.
In het laatste oorlogsjaar, 1944-1945, stonden mensen vaak lange tijd in de rij voor voedsel en andere eerste levensbehoeften. Ook bij Meyers Koek wachtten klanten geduldig op een kleine hoeveelheid koek of brood. Door schaarste, distributiebonnen en beperkte aanvoer was eten niet vanzelfsprekend. De rij laat zien hoe moeilijk het dagelijks leven tijdens de oorlog kon zijn, maar ook hoe mensen bleven proberen om voor hun gezin te zorgen
Ook brandstof was in 1944 nauwelijks meer verkrijgbaar. Mensen werden daarom creatief en bedachten allerlei manieren om toch te kunnen blijven rijden. Deze auto is uitgerust met een houtgasgenerator: door hout te verhitten ontstond brandbaar gas dat als alternatief voor benzine kon dienen.
In 1944 was reizen met het openbaar vervoer vrijwel onmogelijk. Door brandstoftekorten reden er nog maar weinig voertuigen. Toch bleven sommige bussen in gebruik dankzij een houtgasgenerator. Deze installatie zette hout om in brandbaar gas, waarmee de motor kon draaien. De bussen waren daardoor een van de weinige manieren waarop mensen zich nog konden verplaatsen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakten benzine en diesel in veel landen schaars, omdat brandstoffen vooral voor militaire doeleinden werden ingezet. Daardoor maakten burgers, transportbedrijven en boeren noodgedwongen gebruik van houtgasgeneratoren, ook wel gasifiers genoemd. Deze installaties zetten hout, houtskool of andere droge biomassa door verhitting met weinig zuurstof om in brandbaar gas. Dat gas kon, na filtering en koeling, worden gebruikt als brandstof voor aangepaste auto’s, vrachtwagens, bussen, tractoren en soms zelfs boten. Een voertuig met houtgasgenerator was herkenbaar aan de grote metalen ketel die meestal achterop, aan de zijkant of op een aanhanger was gemonteerd.
Het gebruik ervan was arbeidsintensief en minder praktisch dan rijden op benzine. De bestuurder moest voldoende droog hout voorbereiden, de generator aansteken en wachten tot deze op temperatuur was. Tijdens het rijden moest de installatie regelmatig worden gecontroleerd en moesten as, teer en roet worden verwijderd. Bovendien leverde houtgas minder vermogen, waardoor voertuigen langzamer reden en minder goed presteerden bij zware belasting of op hellingen. Toch vormde de houtgasgenerator in de oorlogsjaren een waardevol alternatief: hij hielp essentieel vervoer mogelijk te houden wanneer conventionele brandstof nauwelijks verkrijgbaar was. Na de oorlog verdween het systeem grotendeels uit beeld, omdat benzine en diesel weer beschikbaar kwamen en eenvoudiger, krachtiger en efficiënter in gebruik waren.
Door het gebrek aan brandstof tijdens de oorlogsjaren zocht men naar allerlei alternatieven om zich te verplaatsen. Benzine en andere brandstoffen waren schaars en vaak gereserveerd voor het leger, de overheid en essentiële diensten. Daarom gingen veel mensen vaker lopen of fietsen. Ook werden fietsen aangepast met bijvoorbeeld houten banden wanneer rubber moeilijk verkrijgbaar was. Paardenkarren, handkarren en vervoer per boot speelden eveneens een grotere rol. Waar mogelijk gebruikte men voertuigen die op andere brandstoffen konden rijden, zoals houtgas. Deze oplossingen waren meestal langzaam en onpraktisch, maar ze hielpen mensen om toch naar hun werk, familie of voedselvoorziening te kunnen reizen.
Tijdens de oorlogsjaren, vooral in Nederland gedurende de Tweede Wereldoorlog, werd de distributie van voedsel, kleding en brandstof een dagelijks onderdeel van het leven. Door schaarste, beperkte import en vorderingen door de bezetter waren veel producten niet vrij verkrijgbaar. De overheid voerde distributiebonnen in, waarmee gezinnen recht kregen op een beperkte hoeveelheid basisgoederen, zoals brood, aardappelen, boter, suiker, textiel en kolen. Hoewel dit systeem bedoeld was om de beschikbare voorraad zo eerlijk mogelijk te verdelen, bracht het veel praktische problemen met zich mee. Mensen moesten bonnen sparen, lange rijen staan en rekening houden met winkels die bepaalde artikelen niet op voorraad hadden. Wie geen bonnen meer had, kon vaak niets kopen, ook al lag het product nog in de winkel. Naarmate de oorlog voortduurde, werden de rantsoenen kleiner en nam de afhankelijkheid van de zwarte markt toe. Vooral tijdens de Hongerwinter van 1944-1945 werd de situatie in het westen van Nederland ernstig: voedsel was schaars, brandstof ontbrak en veel mensen zochten buiten de stad naar eten. De distributie maakte duidelijk hoe kwetsbaar de dagelijkse voorziening kan zijn in tijden van oorlog, maar liet ook zien hoe belangrijk organisatie, solidariteit en vindingrijkheid waren om moeilijke jaren door te komen.
De RAF zorgt voor thee uit de lucht.
1944 Duitse propaganda voor het propagandatijdschrift Signaal op reclamezuil. De nazi's verspreidden tussen 1940 en
1945 in alle bezette gebieden het propagandatijdschrift Signaal. Met zijn twintig vertaalde uitgaven en een totale oplage
van ruim 2,5 miljoen exemplaren was Signaal tijdens de Tweede Wereldoorlog het meest gelezen blad in heel Europa. De
Duitse propagandamachine zat heel doordacht in elkaar en daar was dit tijdschrift een zeer goed voorbeeld van. "Het zat
bijzonder goed in elkaar, met een knappe vormgeving, heel goeie artikels tot zelfs het gebruik van kleurenfoto's. Het
tijdschrift was zijn tijd ver vooruit. Het telde dan ook nog eens 40 pagina's, in een periode waarin alles bijzonder schaars
was. Het moest in alle bezette landen sympathie opwekken voor de Duitsers
De Stichting Winterhulp Nederland (WHN) was een nationaalsocialistische organisatie die tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog in Nederland actief was. De stichting werd in 1940 opgericht en had als doel de bestaande maatschappelijke hulpverlening geleidelijk naar zich toe te trekken. Daarmee wilde de bezetter de ondersteuning door de overheid, particuliere instellingen en kerkelijke organisaties vervangen of sterk beperken. Winterhulp presenteerde zich als een organisatie voor hulp aan behoeftigen, maar diende ook politieke doeleinden: zij moest de nationaalsocialistische ideologie uitdragen en de invloed van onafhankelijke hulporganisaties terugdringen. De organisatie financierde zich onder meer met collectes, die vaak onder aanzienlijke sociale en bestuurlijke druk werden gehouden. Na de bevrijding in 1945 werd de Stichting Winterhulp Nederland opgeheven.
Signaal was een rijk geïllustreerd Duits propagandablad dat tijdens de Tweede Wereldoorlog verscheen, van 1940 tot 1945. Het tijdschrift werd uitgegeven onder toezicht van de Duitse bezettings- en propagandadiensten en was bedoeld voor lezers buiten Duitsland, ook in bezette landen zoals Nederland. Signaal verscheen in meerdere talen en legde de nadruk op foto’s van het Duitse leger, reportages over het dagelijks leven en verhalen die Duitsland en zijn bondgenoten positief moesten voorstellen. De inhoud diende om steun voor het naziregime te vergroten en de Duitse oorlogvoering als succesvol en rechtvaardig af te beelden. Daarom geldt het blad tegenwoordig vooral als een historische bron voor de propaganda van die periode, en niet als een onafhankelijke of betrouwbare verslaggeving van de oorlog.
“Venten met Volk en Vaderland” verwijst naar het huis-aan-huis en op straat verkopen van Volk en Vaderland, de krant van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Het blad verscheen van 1933 tot 1945 en werd gebruikt om de nationaalsocialistische ideeën van de beweging te verspreiden. Verkopers en leden probeerden met de krant nieuwe aanhang te werven en de zichtbaarheid van de NSB in buurten en steden te vergroten. Tijdens de Duitse bezetting kreeg het blad een uitgesproken propagandistische rol en verspreidde het onder meer antisemitische, autoritaire en collaborerende standpunten. De uitdrukking wordt daarom vooral in een historische context gebruikt, als aanduiding van de manier waarop de NSB haar propaganda onder de bevolking bracht.
Propagandaposters speelden tijdens oorlogen een belangrijke rol. Overheden en politieke bewegingen gebruikten deze affiches om de bevolking te beïnvloeden, steun voor de oorlog te vergroten en vijandbeelden te versterken. De posters waren vaak opvallend vormgegeven, met sterke kleuren, eenvoudige slogans en herkenbare symbolen. Zo konden zij ook mensen bereiken die weinig lazen of geen toegang hadden tot andere media. Tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog riepen posters burgers bijvoorbeeld op om zich aan te melden als soldaat, geld te lenen aan de staat, zuinig om te gaan met voedsel of informatie geheim te houden. Tegelijkertijd werden tegenstanders vaak afgeschilderd als gevaarlijk, wreed of onmenselijk. In nazi-Duitsland werd propaganda bovendien ingezet om antisemitische ideeën te verspreiden en uitsluiting en vervolging te rechtvaardigen. Ook de geallieerden gebruikten propaganda, onder meer om saamhorigheid en doorzettingsvermogen te bevorderen. Propagandaposters geven daardoor niet alleen informatie over de oorlog zelf, maar ook over de manier waarop machthebbers emoties, angst en nationale trots probeerden te gebruiken om gedrag en opvattingen te sturen.
Wervingsposters van de Nederlandsche SS waren propagandamiddelen uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (1940–1945). De organisatie was verbonden aan de Nationaalsocialistische Beweging (NSB) en aan de Duitse SS. Op de affiches werd geprobeerd Nederlanders te overtuigen zich aan te sluiten bij de nationaalsocialistische beweging of bij militaire eenheden aan het oostfront. De beeldtaal was vaak doelbewust krachtig en heroïsch, met soldaten, Nederlandse symbolen en leuzen over orde, kameraadschap en de strijd tegen het communisme. Achter deze boodschap ging echter een ideologie schuil die was gebaseerd op racisme, antisemitisme, onderdrukking en geweld. Wervingsposters vormen daarom belangrijke historische bronnen: zij laten zien hoe propaganda werd ingezet om steun te creëren voor collaboratie en voor de oorlogspolitiek van nazi-Duitsland.
Eénpans maaltijd ook in Groningen. Op 23 februari 1941 werd er begonnen met het organiseren van één-pans-maaltijden
en hiermee werd doorgegaan tot september 1944. Na dolle dinsdag was de structuur uit de winterhulp leiding verdwenen
en werden er nagenoeg geen eenpansmaaltijden meer georganiseerd.
W.A. mannen op de fiets. De Weerbaarheidsafdeling (WA) was de geüniformeerde ordedienst van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Ook in Groningen waren WA-leden actief vóór en tijdens de Duitse bezetting van Nederland, die begon in mei 1940. De afdeling was herkenbaar aan haar zwarte uniformen, marsen en strakke hiërarchie. WA’ers bewaakten NSB-bijeenkomsten, verspreidden propaganda en probeerden tegenstanders te intimideren. Tijdens de bezetting werkte de NSB nauw samen met de Duitse autoriteiten. Leden van de WA droegen daarmee bij aan de nazi-invloed in het openbare leven en aan de onderdrukking van mensen die als tegenstander of ongewenst werden gezien. In Groningen, net als elders in Nederland, stond de beweging bij veel inwoners slecht aangeschreven. De Duitse bezetting, de vervolging van Joodse Groningers en het optreden tegen het verzet maakten de tegenstelling tussen collaborateurs en tegenstanders steeds scherper. Niet ieder NSB-lid was actief lid van de WA, maar de WA vormde wel het zichtbare en vaak dreigende gezicht van de beweging op straat. Na de bevrijding in 1945 werden veel betrokkenen onderzocht en konden zij worden berecht of geïnterneerd vanwege hun samenwerking met de bezetter.
In 1944, tijdens de laatste zware oorlogsjaren, kreeg een sigaret voor veel mensen een betekenis die verder ging dan alleen roken. Tabak was schaars, distributiebonnen bepaalden wat beschikbaar was en sigaretten werden soms geruild voor voedsel, informatie of een klein dienstbewijs. De uitdrukking ‘de laatste sigaret’ roept daarom het beeld op van een onzeker afscheid: een kort moment van rust, verbondenheid of moed voordat iemand vertrok, onderdook of een gevaarlijke opdracht uitvoerde. Tegelijkertijd is het belangrijk te beseffen dat roken schadelijk is voor de gezondheid. In de context van 1944 vertelt de laatste sigaret vooral iets over schaarste, spanning en de menselijke behoefte aan een klein houvast in uitzonderlijke omstandigheden.
In 1944 was echte koffie in Nederland bijna niet meer te krijgen. Door de oorlog, schaarste en distributie waren koffiebonen uitzonderlijk kostbaar geworden. Wie nog een laatste kopje echte koffie kon zetten, deed dat vaak zuinig en op een bijzonder moment. Daarna moesten veel mensen noodgedwongen overstappen op surrogaten, zoals cichorei, geroosterde granen of andere koffievervangers. Het laatste kopje echte koffie stond daarmee niet alleen voor smaak en comfort, maar ook voor het verlies van alledaagse gewoonten in een moeilijke tijd.
Een bovenwoning in Groningen in 1944 stond in het teken van de Duitse bezetting en de onzekerheid van de oorlog. Het dagelijks leven speelde zich vaak af in beperkte ruimtes, met schaarste aan voedsel, brandstof en andere basisvoorzieningen. Bewoners probeerden hun woning zo warm mogelijk te houden en waren aangewezen op distributiebonnen. In de stad was de aanwezigheid van de bezetter merkbaar, terwijl veel Groningers zich voorbereidden op een onzekere toekomst. Groningen werd pas in april 1945 bevrijd; in 1944 was de stad dus nog bezet. Een bovenwoning bood beschutting, maar kon ook kwetsbaar voelen door de voortdurende dreiging van controles, razzia’s en oorlogsschade.
In de laatste editie van het Nieuwsblad van het Noorden in 1944 las deze vrouw over D-Day, de geallieerde landing in Normandië op 6 juni 1944. Het nieuws over deze beslissende operatie bereikte Nederland in een tijd van bezetting, onzekerheid en schaarste. Voor veel lezers bood de berichtgeving hoop op een naderende bevrijding, al was het verloop van de oorlog voor Noord-Nederland op dat moment nog allerminst zeker.
Laatste editie van Nieuwsblad van het Noorden
- Verschijningsverbod: De uitgave werd gestaakt nadat er een verschijningsverbod was opgelegd door de bezetter, omdat de leiding weigerde een aangedragen NSB-hoofdredacteur te accepteren.
- Papierschaarste: Net zoals bij andere regionale dagbladen (zoals de Drentsche Courant of de Veenkoloniale kranten) was de persperiode sowieso zwaar ingeperkt door de oorlogssituatie en extreme papierschaarste.
- Hervatting: Pas na de bevrijding in 1945 kon de krant haar publicaties hervatten.
Inundatie
De inundatie van 1944-1945 werd door de Duitse bezetter in Nederland geïnitieerd om mogelijke aanvallen van de geallieerden af te slaan. In mei 1945 stond ongeveer 250.000 hectare (ha) ofwel 9% van het Nederlandse grondgebied onder water.
Schaatsers in de provincie Groningen tijdens de Hongerwinter, net als de volgende afbeelding. Foto’s uit het boek ‘Inundatie 1944-1945 in woord en beeld.’ Met dank aan het Waterschap Noorderzijlvest
Slag om Groningen en de bevrijding
De Slag om Groningen vond plaats van 13 tot 16 april 1945, in de laatste weken van de Tweede Wereldoorlog. Canadese troepen van de 2nd Canadian Infantry Division trokken de stad binnen om Groningen te bevrijden van de Duitse bezetting. De strijd was hevig, vooral in en rond het centrum. Duitse militairen boden weerstand vanuit onder meer gebouwen, straten en verdedigingsposities. Daardoor ontstonden gevaarlijke gevechten in dichtbebouwd gebied. Tijdens de bevrijding brak op verschillende plekken brand uit, met name in de binnenstad. Het oude centrum liep zware schade op; onder andere de noordzijde van de Grote Markt werd grotendeels verwoest. Op 16 april 1945 was Groningen bevrijd. Voor de inwoners betekende dit het einde van vijf jaar bezetting, vervolging, schaarste en angst. De bevrijding wordt nog altijd herdacht, onder meer bij monumenten en tijdens activiteiten rond 4 en 5 mei. De Slag om Groningen herinnert eraan dat vrijheid niet vanzelfsprekend is en dat de bevrijding van de stad een hoge prijs heeft gekost.
De Canadese troepen trekken vanuit Eelde via de Paterswoldseweg Groningen binnen. Hun komst markeert een belangrijk moment in de bevrijding van de stad aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Langs de route worden zij door veel inwoners verwelkomd, terwijl de situatie in en rond Groningen nog gespannen is. De opmars vanuit het zuiden vormt een van de belangrijkste toegangswegen naar de stad. Lt. Dave Heap kijkt naar het bord van de stad Groningen aan de Paterswoldseweg.
Fred Butterworth is omgekomen in een tank aan de Paterswoldseweg 188. De tank waarin hij zat werd getroffen door een Panzerfaust. Zijn broer Stanley bevond zich nog in Eelde om op weg te gaan naar de stad. Fred en Stanley behoorden beide bij de tankdivisie van de Fort Garry Horse.
Toen en Nu foto van de Paterswoldseweg ter hoogte van nummer 188, waar Fred Butterworth sneuvelde in de tank.
Graf van Fred Butterworth, de eerste Canadese soldaat die sneuvelde bij de bevrijding van Groningen, op het Holten Canadian War Cemetery
Wij mochten Stanley Butterworth ook ontmoeten in 2015 tijdens de opening dubbelexpositie Batterie Delfzijl en de Slag om Delfzijl
Stanley Butterworth met patroongordels om zijn nek
Fred Butterworth op zijn Sherman tank in januari 1944
Stanley Butterworth tijdens de herdenking van de bevrijding van Groningen. Hij werd geëerd als de bevrijder van Groningen. In 2020 op 95 jarige leeftijd overleden.
Antitankmuur aan de Paterswoldseweg.
Soldaten van The Roayal Regiment of Canada sluitpen langs het Hoornsediep op weg naar de Parkbrug met antitankwapen op de rug.
In april 1945 vormde de Parkbrug, bij het Verbindingskanaal in Groningen, een belangrijk punt tijdens de bevrijding van de stad. Canadese militairen van de 2nd Canadian Infantry Division trokken vanaf 13 april Groningen binnen en stuitten op hevige Duitse tegenstand. Bruggen, kanalen en smalle toegangswegen waren van grote militaire betekenis: zij bepaalden welke delen van de stad bereikbaar waren en boden dekking aan de verdedigers. Ook rond de Parkbrug werd gevochten terwijl de Canadezen probeerden verder op te rukken richting het centrum. Duitse eenheden, waaronder militairen van de Wehrmacht en SS’ers, verdedigden de stad vanuit huizen, kantoren en strategische gebouwen. De strijd in Groningen duurde meerdere dagen en ging gepaard met beschietingen, branden en grote schade aan woningen en winkels. De bevolking zat vaak noodgedwongen in kelders of schuilplaatsen. Op 16 april 1945 was Groningen bevrijd. De gevechten bij de Parkbrug herinneren eraan dat de bevrijding niet alleen een feestelijke gebeurtenis was, maar ook het resultaat van zware en gevaarlijke straatgevechten
Canadese militairen kunnen opgelucht adem halen na de gestreden strijd bij de Parkbrug.
Gevechten aan de Paterswoldseweg. Op de achtergrond is de tabaksfabriek van Niemeijer te zien.
Een rij Canadese legervoertuigen op de Parkweg.
loopgraven, in het Stadspark te Groningen die werden aangelegd als verdedigings- en schuilvoorziening. ter voorbereiding op mogelijke gevechten
Aan de singels werd hevig gevochten. Huis voor huis werd door de Canadese soldaten uitgekamd.
Het beruchte Scholtenhuis aan de Grote Markt, hoofdkwartier van de Sicherheitzdienst (SD) werd verwoest door brand die was aangestoken door de Duitsers zelf.
Nieuwsgierige Groningers wagen zich vlakbij Canadese soldaten terwijl er nog wordt geschoten.
De tank Phyllis boorde zich in boekhandel Cloetingh in de Ubbo Emmiusstraat.
Thans bevindt zich nog een gedenksteen in het herbouwde pand aan de Ubbo Emmiusstraat.
Tijdens de bevrijding van Groningen in april 1945 ontstond er brand aan en rond de Grote Markt. In de stad werd hevig gevochten tussen Duitse troepen en Canadese militairen, waardoor meerdere gebouwen beschadigd raakten of verloren gingen. Het vuur legde delen van de bebouwing rond het plein in de as en veranderde het vertrouwde stadsbeeld ingrijpend. De Martinitoren bleef behouden, maar de schade aan de omliggende panden was groot. Na de oorlog werd de Grote Markt geleidelijk herbouwd. De brand en verwoesting van 1945 herinneren nog altijd aan de zware laatste dagen van de Duitse bezetting en de bevrijding van Groningen.
De villa's aan de singels lopen veel schade op.
Een door granaatvuur vernielde Duitse stafauto aan de Ubbo Emmiussingel in Groningen.
Canadese militairen.in de Oosterstraat in Groningen
De buitgemaakte Wehrmacht officiersdolk uit het provinciehuis van Groningen. © collectie Joël Stoppels
Na het beëindigen van de strijd worden de Duitse soldaten als krijgsgevangenen afgevoerd.
De Duitse bevelhebber had een gebrek aan munitie en zag bovendien in dat het geen zin had om tot de laatste man door te vechten. Luitenant-kolonel Dextraze van het Les Fusiliers Mont-Royal van de zesde brigade wist zodoende de overgave af te dwingen in het hoofdkwartier in het voormalige Rijksarchief aan de St. Jansstraat. De vijfde en zesde brigades veegden ondertussen de laatste verzetshaarden, zoals de Noorderhoogebrug, schoon. Als laatsten werden het noorden en noordoosten van de stad ingenomen. Nadat de Oostersluis was overmeesterd (zie Pop Dijkema) werd de opmars naar Delfzijl ingezet die uiteindelijk uitmondde in de bevrijding van Delfzijl. De slag om Delfzijl duurde van 23 april tot en met 2 mei. De strijd om de stad Groningen kwam in april 1945 ten einde tijdens de bevrijding door Canadese troepen van de 2e Canadese Infanteriedivisie. Na zware gevechten die op 13 april begonnen, trokken de Duitse verdedigers zich geleidelijk terug. In de nacht van 15 op 16 april gaven de laatste Duitse militairen in de stad zich over of vluchtten zij richting het noorden en oosten. Daarmee was Groningen op 16 april 1945 bevrijd, enkele weken vóór de algemene Duitse capitatie in Nederland. De gevechten hadden grote gevolgen: vooral in delen van de binnenstad en in het noorden en oosten van Groningen waren gebouwen beschadigd of verwoest. Ook vielen er slachtoffers onder burgers, verzetsmensen en militairen. Na de bevrijding begon een moeilijke periode van herstel. De bevolking moest omgaan met schade, voedseltekorten en het verlies van familieleden en stadsgenoten. Tegelijkertijd werden collaborateurs opgepakt en keerde het openbare bestuur stap voor stap terug. In de jaren daarna werd veel van de stad hersteld en herbouwd. De bevrijding van Groningen wordt nog altijd jaarlijks herdacht als een belangrijk moment van vrijheid en het einde van de Duitse bezetting in de stad. Om de inname van de Delfzijl-Pocket moest echter nog tot 2 mei 1945 hard worden gevochten. De laatste Canadese militair, de 21-jarige John Gerard Spicer, sneuvelde bij Geefsweer.
Een stoet wegtrekkende Duitse krijgsgevangenen. Op de voorgrond staat een Canadees pantservoertuig bemand door twee militairen. Het originele bijschrift luidt: 'Columns of disarmed German soldiers en route to occupied Germany. Canadian 1st Corps troops watch from the Dutch bicycle path. Near Amsterdam,