De webmaster van ARS Website met zijn vrouw voor het legendarische Anne Frank Huis.

Op 22 juli 2022 namen we deel aan een dagtour van Veenstra Reizen naar het Anne Frank Huis in Amsterdam. Voorafgaand aan ons bezoek kregen we onder leiding van een gids een rondwandeling door de voormalige Joodse buurt.

Deze foto heb ik genomen vanaf de markt op het Waterlooplein van de Amsterdamse gracht die daarlangs liep.

Bij aankomst in Amsterdam kregen we eerst de gelegenheid zelf de stad in te gaan om te gaan lunchen. Wij deden dat aan het Waterlooplein.

Begin 1941 kwam er een verordening dat alle Joden zich moesten laten registreren. Er kwamen borden met “voor Joden verboden” en borden met “Joodse wijk”.

Deze verordening wekte veel woede op. In de illegale bladen werd hevig stelling hier tegen genomen. De manier waarop de WA (een afdeling van de NSB) deze verordening handhaafde ging alle perken te buiten.
Er werden in de “Jodenhoek” ruiten ingeslagen, vernielingen aangericht en mensen mishandeld door de WA.
Op 10 februari kwam het tot een confrontatie tussen de WA en de Joodse knokploegen.

Hierna werd de Joodse wijk volledig afgegrendeld. Op 22 februari werden 425 Joodse mannen als vergelding opgepakt en afgevoerd naar het vernietigingskamp Mauthausen. Dit was de aanleiding tot de grote en massale “februari staking” een groots protest van de Amsterdamse bevolking tegen deze wreedheden.
Dit wordt jaarlijks herdacht bij het standbeeld van de Dokwerker.

De Dokwerker op het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam ter nagedachtenis aan de Februaristaking van 1941. Op de achtergrond het gebouw van de Portugese synagoge. Onze gids vertelde dat er in dat gebouw geen electriciteit aanwezig is en er kaarsen worden gebruikt.

Razzia's 22 en 23 februari 1941

De WA dwong af dat overal deze bordjes werden opgehangen

De Weerafdeling (WA) van de NSB trekt de Amsterdamse Joodse wijk in en valt Joden lastig. De WA’ers intimideren Joden, brengen vernielingen aan, stelen en plegen openlijk geweld. Er ontstaan een tegenbeweging, waarbij de Joodse en ook niet-Joodse Amsterdammers in knokploegen de confrontatie aangaan met WA’ers. Op 11 februari 1941 is er weer zo’n rel op het Waterlooplein, er wordt gevochten en WA’er Hendrik Koot raakt zwaar gewond. Hij overlijdt drie dagen later. Zijn begrafenis wordt een enorme publicitaire stunt van de NSB. De dood van Koot wordt aangegrepen om de Joden te straffen. Een aantal leiders van de Joodse gemeenschap worden bijeengeroepen en krijgen de opdracht om een Judenrat op te zetten. Deze werd verantwoordelijk voor de orde en rust in de Amsterdamse Joodse gemeenschap en later die van het gehele land. De eerste opdracht heeft direct verband met de onrust: de Raad moet erop toezien dat Joden alle wapens inleveren bij de autoriteiten.Al wekenlang wordt een grote staking voorbereid, als de Razzia van Amsterdam plaatsvindt. Deze vormt voor leden van de illegale Communistische Partij van Nederland (CPN) aanleiding om de staking in werking te zetten. Zo'n tienduizend medewerkers van verschillende bedrijven leggen het werk neer, en staken op 25 en 26 februari in Amsterdam. De staking slaat ook over naar andere plaatsen en bedrijven. Onder andere in Zaandam, Utrecht, Haarlem en Velsen. De bezetter grijpt met harde hand in.

De razzia op het Jonas Daniël Meijerplein 

Op 22 en 23 februari 1941 voerden de Duitse bezetters een grote razzia uit in de Amsterdamse Jodenbuurt. Joodse mannen werden op straat, in cafés en in hun woningen opgepakt. Velen van hen werden samengebracht op het Jonas Daniël Meijerplein, waar zij werden bewaakt en afgevoerd. In totaal werden ongeveer 425 mannen gearresteerd; 389 van hen werden gedeporteerd naar de concentratiekampen Buchenwald en Mauthausen. Slechts twee mannen keerden na de oorlog terug. De razzia maakte grote indruk op de inwoners van Amsterdam en was een directe aanleiding voor de Februaristaking van 25 en 26 februari 1941, een uniek openlijk protest tegen de Jodenvervolging in bezet Europa. Op het plein staat tegenwoordig het beeld De Dokwerker, als herinnering aan de stakers en aan de vervolging van de Joodse bevolking.

De bekende foto’s van de razzia op het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam, op 22 en 23 februari 1941, zijn gemaakt door een onbekende Duitse fotograaf, waarschijnlijk een militair of iemand die met de Duitse bezettingsmacht meereisde. De naam van de maker is niet met zekerheid bekend. Op de beelden zijn Joodse mannen te zien die op het plein bijeen zijn gedreven voordat zij werden weggevoerd. De razzia’s vormden mede de directe aanleiding voor de Februaristaking.

Razzia op het Jonas Daniel Meijerplein Amsterdam 22-23 februari 1941.

De Joden die tijdens de Februarirazzia van 22 en 23 februari 1941 in Amsterdam werden opgepakt, werden eerst samengebracht en mishandeld in onder meer de Hollandsche Schouwburg en op het Jonas Daniël Meijerplein. Vervolgens werden ongeveer 389 Joodse mannen gedeporteerd naar het concentratiekamp Buchenwald in Duitsland. In mei 1941 werd het grootste deel van de overlevenden overgebracht naar Mauthausen in Oostenrijk, een kamp dat bekendstond om de extreem zware dwangarbeid en wrede omstandigheden. Vrijwel alle opgepakte mannen kwamen om het leven; slechts enkelen overleefden de oorlog.

Vanuit een raam is deze opname gemaakt van de razzia op het Waterlooplein. Te zien zijn Duitse soldaten tegenover gevangen genomen Joden en wagens van de Grüne Polizei die het plein oprijden om de arrestanten af te voeren naar Schoorl.

Wagens van de Grüne Polizei op het Waterlooplein 22 februari 1941.

Wagens van de Grüne Polizei op het Waterlooplein 22 februari 1941.

Vanuit een raam is deze opname gemaakt van de razzia op het Waterlooplein. Te zien zijn Duitse soldaten tegenover gevangen genomen Joden en wagens van de Grüne Polizei die het plein oprijden om de arrestanten af te voeren naar Schoorl.

Arrestanten op het Waterlooplein. Waarschijnlijk is deze foto stiekem gemaakt.

Joodse mannen in de Jodenbreestraat tijdens de razzia op 22 februari 1941

Na de razzia’s van 22 en 23 februari 1941 werden honderden Joodse mannen uit Amsterdam opgepakt en weggevoerd. Zij werden eerst vastgehouden in Kamp Schoorl en vervolgens gedeporteerd naar Buchenwald en Mauthausen. In de dagen en weken daarna bleven hun woningen achter zonder de mannen die er woonden en vaak zonder zekerheid over hun lot. Voor gezinnen, buren en de Joodse gemeenschap maakte dit de vervolging pijnlijk zichtbaar in het straatbeeld. De huizen van de voormalige Joodse bewoners stonden nu leeg. Veel buurtgenoten waren verdwenen. De razzia’s vormden bovendien de directe aanleiding voor de Februaristaking van 25 februari 1941, een uitzonderlijk openbaar protest tegen de Jodenvervolging in bezet Nederland. a de oorlog drong de gruwelijke waarheid omtrent de vernietigings kampen pas goed door. De Joodse wijk (de Jodenhoek) was leeg, de huizen die ontruimd waren door de Duitse bezetters waren geplunderd, gesloopt of opgestookt in de koude winter van 1944. En van de Joodse bevolking is maar een bitter klein deel terug gekeerd. Weg waren ze, die handelaren, de straathandel, de drukte. Het was stil geworden in de wijk. Met de wederopbouwwet van 1950 is een begin gemaakt om deze buurt weer bewoonbaar te maken..
Het zou nog vele jaren duren voordat de buurt weer een bewoonbaar uiterlijk kreeg, de Nieuwmarktrellen, het verzet tegen de bouw van de metro en de bouw van het stadhuis zorgden voor veel beroering.

De Jodenster

De Jodenster was een kenteken dat Joden in Duitsland en bezet gebied moesten dragen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De verplichting gold voor Joden boven de leeftijd van zes jaar in bijna het gehele door de nazi's bezette Europa, met uitzondering van Noorwegen, Denemarken en Vichy-Frankrijk. Het kenteken bestond uit een zwart getekende Davidster uit gele stof ter grootte van een handpalm met de tekst (in de landstaal) in zwarte letters 'Jood'. De ster diende om Joden te identificeren, evenals het stempel met de letter J in hun persoonsbewijs. De Jodenster moest zichtbaar en vast opgenaaid op de linkerkant ter borsthoogte van het kledingstuk gedragen worden.

De nazi's maakten het dragen verplicht in Polen vanaf 23 november 1939. Vanaf 19 september 1941 moesten alle Joden vanaf 6 jaar oud in het gehele Duitse Rijk de ster dragen, op grond van de Polizeiverordnung über die Kennzeichnung der Juden. De verordening van 1 september 1941 werd van kracht op 19 september 1941.

In Nederland werd het dragen van de Jodenster op zondag 3 mei 1942 verplicht gesteld aan personen die volgens de naziwetgeving als "Jood" werden aangemerkt (deze dwingende verplichting trof ook personen die dat trouwens volgens de Joodse regelgeving niet waren). Een paar dagen eerder, op 29 april 1942, werd de verplichtstelling in de avondkranten bekendgemaakt. De voorzitters van de Joodsche Raad, Asscher en Cohen, waren 's middags over de maatregel op de hoogte gesteld. Op het niet-dragen van de ster stond een straf van ten hoogste zes maanden hechtenis of een geldboete van ten hoogste duizend gulden, of beide. Een ster kostte 4 cent, door de drager zelf te betalen, en per vier sterren moest een distributiebon ('textielpunt') worden ingeleverd. De Nederlandse sterren werden in Enschede door textielfabriek De Nijverheid vervaardigd. Dit joodse familiebedrijf werkte onder een door de Duitse bezetter aangewezen niet-joodse zaakwaarnemer (arische Verwalter), in dit geval een Duitser. In totaal werden 569.355 sterren geproduceerd.

Voorafgaand aan ons bezoek aan het Anne Frank Huis maakten we een rondwandeling door de Joodse Wijk onder leiding van een gids die duidelijk liefde had voor mensen en bewogen was met het lot dat de Joden in de oorlog trof.

Henri Polaklaan

Gebouw van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond (ANDB) in Berlagestijl aan de Henri Polaklaan 8 Amsterdam. Het gebouw moest een grandeur uitstralen. De bezoeker moest via een statige trap het pand betreden.

In de voorgevel is in de toren een diamand zichtbaar.

De Kleine Plantage Henri Polaklaan 6-10 Amsterdam Portugees Joods ziekenhuis waar Joodse mannen vrijgesteld van deportatie werden gesteriliseerd tussen mei 1943 en zomer 1944

De Plantage Middenlaan

De Plantage Middenlaan is een straat in de Plantagebuurt in Amsterdam-Centrum. Het is de hoofdstraat van de Plantagebuurt en dateert uit de grote stadsuitbreiding van 1658. De Plantage Middenlaan ligt in het verlengde van de Muiderstraat en loopt in zuidoostelijke richting naar het Alexanderplein. Hij wordt gekruist door de Plantage Kerklaan.

Bekende gebouwen aan de Plantage Middenlaan zijn de Hollandsche Schouwburg, Desmet en de Muiderpoort en het recent geopende holocaustmuseum. Aan de Plantage Middenlaan liggen ook de dierentuin Artis, Hortus Botanicus Amsterdam en het Wertheimpark.

Auschwitzmonument in het Wertheimpark

In het Werhheimpark stonden we bij het Auschwitzmonument. Hier wordt jaarlijks de bevrijding van Auschwitz herdacht op 27 januari 1945. Het Auschwitzmonument (ook bekend als Spiegelmonument 'Nooit Meer Auschwitz' of Gebroken spiegels) is een Nederlands herdenkingsmonument in het Wertheimpark in Amsterdam ter nagedachtenis aan de omgekomenen in het concentratiekamp Auschwitz en de andere concentratie- en vernietigingskampen. Het monument is in 1977 ontworpen door schrijver en beeldend kunstenaar Jan Wolkers. Wolkers had opdracht gekregen een monument te maken boven een urn met as van slachtoffers uit het concentratiekamp uit Auschwitz.

Zicht op aan het Wertheimpark grenzende huizen.

Onderduikers in Artis

Vanaf september 1941 mochten Joden, onder druk van de Duitsers, geen openbare plaatsen meer bezoeken. Ook ARTIS was vanaf toen verboden voor Joden. ARTIS werd gebruikt als onderduikplek. Een van de onderduikplekken was de zolder van de Roofdierengalerij.

Bezoekers bij de net geopende Apenrots, 24 mei 1940

Duitse militairen voederen aan aapje in het monumentale Apenhuis.

Duitse soldaten bij de leeuwenkuil.

In het gebouw naast de ingang van Artis, nu een restaurant, zat vanaf 1941 het Amsterdamse bevolkingsregister. Op 27 maart 1943 vond hier een aanslag door het verzet plaats. Het doel was persoonsgegevens te vernietigen die werden gebruikt voor de deportatie van de Joden.

Op de foto de ravage na de aanslag. De beroemde verzetsheld Gerrit van der Veen was een van de leiders.

De Hollandsche Schouwburg

De Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam was tijdens de Tweede Wereldoorlog een belangrijke plek in de Jodenvervolging. Voor de oorlog was het een theater waar vooral Joodse artiesten optraden. Nadat de Duitse bezetter in 1941 de Schouwburg had aangewezen als Joods theater, mochten er alleen nog Joodse bezoekers en medewerkers komen. In juli 1942 veranderde de functie ingrijpend: de bezetter gebruikte het gebouw als verzamelplaats voor Joodse Amsterdammers die waren opgepakt of zich moesten melden. Vanuit de Schouwburg werden duizenden mannen, vrouwen en kinderen afgevoerd naar doorgangskamp Westerbork en vervolgens naar vernietigings- en concentratiekampen. De omstandigheden waren zwaar; mensen wachtten er vaak dagenlang in overvolle zalen, in onzekerheid over hun lot. Tegenover de Schouwburg lag de crèche, waar veel jonge kinderen tijdelijk werden ondergebracht. Medewerkers van de crèche, het nabijgelegen kindertehuis en het verzet wisten tussen 1942 en 1943 honderden kinderen weg te smokkelen en onder te brengen bij onderduikadressen. In september 1943 werd de Schouwburg gesloten. Na de oorlog kreeg het gebouw een herdenkingsfunctie. Tegenwoordig is de Hollandsche Schouwburg een plek van herinnering en bezinning, waar de namen worden herdacht van Nederlandse Joden die tijdens de Holocaust zijn vermoord.

De Hollandsche Schouwburg is een Joods monument aan de Plantage Middenlaan te Amsterdam. Tussen 1893 en 1942 was het een theater. In de oorlogsjaren 1942 en 1943 was het een verzamelplaats waarvandaan Joden via Kamp Westerbork en Kamp Vught gedeporteerd werden naar de vernietigingskampen van nazi-Duitsland.

De Hollandsche Schouwburg in Amsterdam werd tijdens de Duitse bezetting gebruikt als verzamelplaats voor opgepakte Joden. Vanaf 1942 werden mannen, vrouwen en kinderen hier na arrestatie geregistreerd en in afwachting van deportatie vastgehouden. Hun persoonsgegevens werden vastgelegd, waaronder naam, geboortedatum, adres en vaak ook informatie over familieleden. Vanuit de schouwburg werden velen overgebracht naar doorgangskamp Westerbork en vervolgens gedeporteerd naar vernietigings- en concentratiekampen. De registratie maakte deel uit van de systematische vervolging van Joden in Nederland. Tegenwoordig is de Hollandsche Schouwburg een nationaal gedenkteken en museum, waar de slachtoffers worden herdacht en hun verhalen worden bewaard.

De Joden werden verzameld in de Hollandsche Schouwburg en moesten daar wachten op hun deportatie onder erbarmelijke omstandigheden.

Gretha (Greetje) Velleman in de Hollandsche Schouwburg. Amsterdam, 6 december 1924 – Auschwitz, 30 september 1942. Bereikte de leeftijd van 17 jaar. Gretha Velleman was schoenenverkoopster in een Bata-winkel in de Van Swindenstraat in Amsterdam.

De Hollandsche Schouwburg in Amsterdam werd tijdens de Duitse bezetting, van 1942 tot 1943, door de nazi’s gebruikt als verzamelplaats voor Joodse mensen die waren opgepakt of zich op bevel moesten melden. Vanuit het gebouw werden zij doorgaans overgebracht naar doorgangskamp Westerbork en vervolgens gedeporteerd naar concentratie- en vernietigingskampen. De schouwburg is nu een nationaal monument en herdenkingsplaats voor de slachtoffers van de Holocaust.

Crêche Hollandsche Schouwburg

Tegenover de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan bevond zich de crêche. De Duitsers konden niet tegen het geschreeuw van kleine kinderen in een overvol gebouw, waar alle Joden in en rond Amsterdam in werden gepropt alvorens gedeporteerd te worden naar doorgangskamp Westerbork alvorens per trein naar de vernietigingskampen getransporteerd te worden. Daarom werd tegenover de Hollandsche Schouwburg een kindercrêche gecreëerd.

Op deze afbeelding zijn Joodse kinderen te zien met een verzorgster in de Joodse crèche, tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam. Tijdens de Duitse bezetting diende de Hollandsche Schouwburg als verzamelplaats voor Joden die werden gedeporteerd. Kinderen werden vaak tijdelijk ondergebracht in de crèche aan de overkant. Vanuit deze locatie wisten verzetsmedewerkers en betrokken verzorgsters honderden kinderen in veiligheid te brengen.

De kindersmokkel Hollandsche Schouwburg was een geheime operatie van enkele Nederlandse verzetsgroepen om Joodse kinderen te laten onderduiken die in de Hollandsche Schouwburg bijeengebracht waren voor deportatie naar de concentratiekampen.De operatie  werd mede geleid door de beheerder van de schouwburg, Walter Süskind, die, vanwege zijn vloeiende Duits en het feit dat hij met de toen in Amsterdam werkzame SS-officier Ferdinand aus der Fünten op school had gezeten, vertrouwen genoot bij de Duitsers. Hij kon zonder argwaan te wekken de gegevens van geregistreerde Joodse kinderen vervalsen en ze laten ontsnappen via de tegenover de schouwburg gelegen crèche op de Plantage Middenlaan 31 die als dependance in gebruik was.Samen met de directrice van de crèche, Henriëtte Pimentel, en de Amsterdamse econoom Felix Halverstad, die ook in de schouwburg werkte, werd een werkwijze opgezet om de kinderen er weg te krijgen.

Henriëtte Pimentel was directrice van de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanuit deze opvang werden Joodse kinderen gedeporteerd, maar Pimentel werkte samen met verzetsmensen, ouders en medewerkers om zo veel mogelijk kinderen in veiligheid te brengen. Via zorgvuldig voorbereide ontsnappingen konden honderden kinderen onderduiken bij pleeggezinnen en op andere schuiladressen. Zij bleef zich voor hen inzetten, ondanks het grote persoonlijke gevaar. In 1943 werd Pimentel gearresteerd en later vermoord in Auschwitz. Haar verhaal laat zien dat zij de kinderen die aan haar zorg waren toevertrouwd juist niet in de steek liet.

Kindersmokkel uit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam was een van de meest succesvolle en gecoördineerde Nederlandse verzetsacties tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tussen oktober 1942 en september 1943 werden op deze manier naar schatting 600 tot meer dan 1000 Joodse kinderen gered van deportatie naar de vernietigingskampen.

Er waren verschillende ontsnappingsmethoden. Baby's werden achterom door de tuin naar de Hervormde Kweekschool op nummer 27 gebracht waarvan de directeur, Johan van Hulst, meewerkte en waar de crèche beschikte over een extra slaapzaal. Van de crèche gingen ze in een tas, mand of rugzak naar buiten. Ook gebruikte men het moment waarop de tram voorbijkwam om kinderen door de voordeur te laten ontsnappen. De leidsters maakten met de wat oudere kinderen korte wandelingen op straat, waarbij ervoor gezorgd werd dat een kind wegraakte.
De kinderen werden per tram en trein naar Limburg, Drenthe en Friesland gebracht waar het verzet onderduikadressen regelde.
Pimentel en Cohen-Kattenburg brachten zo veel mogelijk kinderen naar leden van het verzet. Vier verzetsgroepen hielden zich bezig met het onderbrengen van de kinderen: de Naamloze Vennootschap (NV-groep) met Joop Woortman, het Utrechts Kindercomité, de Trouwgroep en de Amsterdamse Studenten Groep (ook wel de groep Meerburg of de groep Van Doorn genaamd) met Piet Meerburg, die zijn rechtenstudie afbrak om deze groep te helpen. Samen redden de verschillende groepen ongeveer duizend Joodse kinderen uit de crèche.
Halverstad en Süskind zorgden ervoor dat de inschrijvingen van de kinderen verwijderd werden uit de administratie. Dit werk gebeurde zonder dat de leiding van de Joodse Raad hiervan op de hoogte was. Naar schatting, onder meer van onderzoeker Bert Jan Flim, moeten er gedurende achttien maanden ongeveer vijfhonderd tot zevenhonderd kinderen zijn gered, die voor een groot deel in Limburg en Friesland terechtkwamen. Gisela Wieberdink-Söhnlein, lid van de Utrechtse groep, stelt dat het er 1100 zijn geweest. Meerburg stelde dat als de Nederlandse regering in ballingschap meer had gemeld over het lot van Joden, veel meer Joodse ouders bereid zouden zijn geweest hun kinderen voor onderduik af te staan.

Plantage Middenlaan

Hoewel de voormalige Joodse crèche zich feitelijk iets verderop in de straat bevond (tegenover de Hollandsche Schouwburg), staat dit specifieke gedenkteken bekend in relatie tot dit deel van de straat. Het monument herdenkt de moedige reddingsacties van het verzet.

De tekst op het monument luidt:

‘AAN ALLEN DIE TIJDENS DE DUITSE BEZETTING
HEBBEN GEHOLPEN JOODSE KINDEREN
VOOR DEPORTATIE TE BEHOEDEN.
1940 – 1945′.

Studio Desmet

Op nummer 4 van de Plantage Middenlaan staat Studio Desmet. Het heeft nu een sierlijke Art-Deco gevel. De destijds beroemde toneelspeelster Rika Hopper trad hier op in haar eigen theater. Ze woonde vlakbij maar kwam graag met een taxi. Vanaf september 1941 mochten alleen Joden het theater bezoeken en werd het theater, van de niet-Joodse directeur Sellmeijer, het "Theater van de Lach" genoemd. In het voorjaar van 1942 werd het gesloten. Van 1944 tot 1946 beleefde het theater nog een kortstondige bloeiperiode als het Hortustheater. In 1946 werd onder de naam Desmet het pand opnieuw geopend als bioscoop, aangekocht door Theo Desmet en vernoemd naar zijn oom filmdistributeur en -pionier Jean Desmet (1875-1956). Tot 1997 was bioscoop Desmet/Cine D. een van de populairste arthouse/off-circuitcinema's van Amsterdam. Na een grondige verbouwing opende in 2001 Desmet Studio's zijn deuren en tot op heden vinden er radio- en televisieopnames en live-uitzendingen plaats. Naast de broadcastfaciliteiten is Desmet Studio's ook in gebruik als locatie voor de meest uiteenlopende evenementen: feesten en borrels, concerten, trainingen, bruiloften, seminars, bijeenkomsten, cd-, boek- en productpresentaties etc.

Plantage Parklaan 9: gebouw van De Joodse Raad

Plantage Parklaan 9: gevelsteen met ‘Joodse Gemeente’. Hier zat tijdens de oorlog een kantoor van de Joodse Raad. Het werd een van de plekken waar Joden hun sterren moesten kopen. Onder anderen Anne Frank en haar familie kochten hier hun ster.

Nieuwe Keijzersgracht 58: Gebouw van de Joodse Raad

De Joodsche Raad voor Amsterdam was een op initiatief van de Duitse bezetter in februari 1941 in het leven geroepen Joodse organisatie die de Joodse gemeenschap in Amsterdam moest besturen. Deze raad kreeg na een half jaar de bevoegdheid over geheel Nederland. Via de Joodse Raad gaf de bezetter bevelen aan de Joodse gemeenschap en haar leiders, zodat de instantie tot een doorgeefluik van de anti-joodse maatregelen werd. In september 1943 werd de leiding van de Joodse Raad naar het doorgangskamp Westerbork afgevoerd en hield de raad dus de facto op te bestaan.

n 1941 wordt op last van de Duitse bezetter de Joodse Raad in het leven geroepen, een organisatie die de communicatie moet verzorgen tussen de Duitsers en de Joodse bevolking. In de Raad zitten voornamelijk invloedrijke Amsterdamse notabelen, onder wie diamanthandelaar Abraham Asscher en professor David Cohen.

Aanvankelijk gestart met het idee om de Joodse gemeenschap zo goed mogelijk te dienen, ziet de Raad zich al snel geconfronteerd met een duivels dilemma rond de anti-joodse maatregelen en de papieren organisatie van de deportaties: weigeren en de nazi’s de vrije hand geven of meewerken om, zoals Cohen na de oorlog verklaart “erger te voorkomen”. De Raad had immers ook de mogelijkheid om mensen voor transport te behoeden, al is het tijdelijk, door ze bijvoorbeeld voor hen te laten werken. In 1943, als het grootste deel van de Joodse gemeenschap al is gedeporteerd, worden ze gedwongen ook eigen medewerkers voor transport op te geven.

Tachtig jaar na dato houdt deze kwestie de gemoederen nog steeds bezig. In het herdenkingsprogramma De Joodse Raad spreekt Winfried Baijens met de onderzoekers Erik Somers en Laurien Vastenhout. Somers publiceerde de na-oorlogse mémoires van David Cohen, Vastenhout promoveerde onlangs op haar onderzoek over de Nederlandse Joodse Raad en de vergelijkbare Belgische en Franse verenigingen die op last van de Duitsers werden opgericht.

In het programma komt ook voormalig secretaresse van de Joodse Raad, Mirjam Bolle-Levie aan het woord. Ze is inmiddels 104 jaar oud en zegt: “Ze hadden geen keus, ze wisten niet wat er zou gebeuren.(…) Ik heb geen dingen gedaan, geloof ik, die Joden hebben weggestuurd of wat dan ook en ik heb me er niet voor geschaamd.”

Bron: NOS

Deze mensen proberen via de Joodse Raad een vrijstelling te krijgen van deportatie. Tijdens de Duitse bezetting wachtten veel mensen in spanning op een beslissing over een mogelijke vrijstelling van deportatie. De Joodse Raad speelde daarbij, onder dwang van de bezetter, een rol in de administratie en communicatie rond oproepen en uitzonderingen. Sommige mensen probeerden een vrijstelling te krijgen vanwege hun werk, gezondheid of gezinssituatie. Zulke vrijstellingen boden echter vaak slechts tijdelijke bescherming en waren geen garantie voor veiligheid. De omstandigheden veranderden voortdurend, terwijl de Duitse autoriteiten uiteindelijk de beslissingen namen.

TV-serie De Joodse Raad

De Joodse Raad is een Nederlandse dramaserie over de Joodse Raad in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog. De serie volgt onder anderen David Cohen en Abraham Asscher, die door de bezetter worden gedwongen als bestuurders van de Joodse Raad op te treden. Vanuit deze positie krijgen zij te maken met steeds zwaardere en onmogelijke keuzes, terwijl de vervolging van Joodse Nederlanders verder toeneemt. De serie laat zien hoe angst, verantwoordelijkheid, verzet en overleven elkaar in deze uitzonderlijk moeilijke periode raken. Met onder meer Pierre Bokma als David Cohen en Jack Wouterse als Abraham Asscher biedt De Joodse Raad een indringend historisch drama over een beladen hoofdstuk uit de Nederlandse geschiedenis.

 Holocaust Namenmonument

Tenslotte bezochten we het indrukwekkende Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat, voor de oorlog het kloppende hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. We zagen de namen van Anne en Margot Frank maar ook de naam van slager Sleutelberg, de familie waar mijn schoonmoeder vroeger huishoudster was. Het Nationaal Holocaust Namenmonument in Amsterdam is het officiële Nederlandse herdenkingsmonument voor de 102.000 Joodse slachtoffers en 220 Roma en Sinti die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het naziregime zijn vervolgd en vermoord. Het monument, gelegen aan de Weesperstraat in de voormalige Joodse buurt, werd op 19 september 2021 onthuld door koning Willem-Alexander en Jacques Grishaver, de voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité. Het is de eerste plek in Nederland waar alle namen van deze slachtoffers zonder bekend graf gezamenlijk en tastbaar zijn samengebracht.

Het is goed dat ook de jeugd kennisneemt van de Holocaust, onder meer door een bezoek aan het Nationaal Holocaust Namenmonument in Amsterdam. Dit monument maakt zichtbaar dat achter de grote aantallen slachtoffers individuele mensen schuilgingen: mannen, vrouwen en kinderen met ieder een eigen naam en levensverhaal. Een bezoek helpt jongeren om stil te staan bij de gevolgen van uitsluiting, discriminatie en antisemitisme. Zo draagt herdenken bij aan bewustwording en aan het belang van vrijheid, respect en verantwoordelijkheid in de samenleving van nu.

Rabbijn Binyomin Jacobs is een bekende vertegenwoordiger van de Joodse gemeenschap in Nederland en spreekt regelmatig over herinnering, educatie en de gevolgen van de Holocaust. Het Nationaal Holocaust Namenmonument in Amsterdam herdenkt de meer dan 102.000 Joodse slachtoffers uit Nederland die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord en van wie geen graf bekend is. Op de bakstenen van het monument staan hun namen, geboortedata en leeftijden vermeld. Het monument, gelegen aan de Weesperstraat, maakt de omvang van het verlies persoonlijk en zichtbaar. Voor rabbijn Jacobs en vele anderen binnen de Joodse gemeenschap is het blijvend noemen van de namen van groot belang: achter ieder slachtoffer schuilde een eigen leven, familie en toekomst.

Het Anne Frankhuis

Het hoofdthema van deze dag in Amsterdam was een bezoek aan het Anne Frank Huis. In het voormalige onderduikadres aan de Prinsengracht kregen we een indrukwekkend beeld van het leven van Anne Frank, haar familie en de andere onderduikers tijdens de Tweede Wereldoorlog. De tentoonstelling, het Achterhuis en Annes dagboek maken de geschiedenis persoonlijk en benadrukken het belang van vrijheid, verdraagzaamheid en het bestrijden van discriminatie.

De kamer van Anne Frank bevond zich in het Achterhuis aan de Prinsengracht 263 in Amsterdam, waar zij van juli 1942 tot augustus 1944 ondergedoken zat met haar familie en vier andere onderduikers. Anne deelde deze kleine kamer met Fritz Pfeffer, die zij in haar dagboek Albert Dussel noemde. Om de ruimte persoonlijker en minder somber te maken, plakte Anne plaatjes van filmsterren, kunstwerken en leden van het koningshuis op de muren. Veel van deze afbeeldingen zijn nog altijd te zien in het Anne Frank Huis. Na de arrestatie van de onderduikers werden de kamers leeggehaald. Otto Frank, Annes vader en de enige overlevende van het gezin, koos ervoor de ruimtes leeg te laten als herinnering aan de mensen die er hadden gewoond en aan de vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het kleine tafeltje van Anne Frank en Fritz Pfeffer herinnert aan het dagelijks leven in het Achterhuis. Vanaf november 1942 deelde Anne haar kamer met Fritz Pfeffer, een tandarts die in haar dagboek de naam Albert Dussel kreeg. In de beperkte ruimte moesten zij ook een tafel delen om te lezen, te schrijven en te studeren. Anne vond dat vaak moeilijk, omdat zij behoefte had aan rust en tijd om aan haar dagboek en schoolwerk te werken. Het tafeltje staat daardoor niet alleen voor een gewoon meubelstuk, maar ook voor de spanningen en beperkingen van het leven in onderduik. Tegelijk laat het zien hoe Anne, ondanks angst, gebrek aan privacy en voortdurende onzekerheid, bleef schrijven over haar gedachten, dromen en ervaringen.

Het kamertje van Peter van Pels bevond zich in het Achterhuis aan de Prinsengracht in Amsterdam, waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn ouders, de familie Frank en Fritz Pfeffer ondergedoken zat. Peter was de enige jongen in het gezelschap en had een kleine eigen kamer, naast de ruimte van zijn ouders. De kamer was eenvoudig ingericht en bood weinig privacy, maar werd voor Peter toch een belangrijke plek om zich terug te trekken. Vanuit deze ruimte leidde een trap naar de zolder, waar hij onder meer voor de kat Mouschi zorgde. Anne Frank schreef in haar dagboek over haar gesprekken met Peter en over de groeiende band tussen hen. Het kamertje herinnert aan het dagelijks leven van de onderduikers: aan de beperkte ruimte, de voortdurende angst om ontdekt te worden en de behoefte aan rust en contact met anderen.

In mei 1941 werd de familie Frank gefotografeerd op het Merwedeplein in Amsterdam-Zuid. Op de foto staan Margot, Otto, Anne en Edith Frank, voor hun woning aan het plein waar zij sinds 1934 woonden. Het gezin leidde er, ondanks de toenemende anti-Joodse maatregelen tijdens de Duitse bezetting, nog een ogenschijnlijk alledaags gezinsleven. De opname toont een bijzonder en herkenbaar moment uit de periode vóór de onderduik: Margot en Anne als jonge meisjes, samen met hun ouders Otto en Edith, in hun eigen buurt.

Kantoorpersoneel in 1941. Vlnr Cictor Kugler, Esther, Bep Voskuyl, Pine Wuurman en Mi.

De bevrijding van Amsterdam met de intocht van het Canadese leger 8 mei 1945

Op 8 mei 1945 trekt het Canadese leger Amsterdam binnen, drie dagen na de bevrijding van Nederland. Op deze historische foto rijden Canadese militairen over de Plantage Middenlaan. Langs de straat staan Amsterdammers die de bevrijders enthousiast verwelkomen. De intocht markeert het einde van de Duitse bezetting en vormt voor veel inwoners een bijzonder moment van opluchting, vreugde en herwonnen vrijheid. De jaren van bitterheid, vervolging en deportatie van de Joodse inwoners zijn voorbij. DIe Joodse inwoners mogen nooit vergeten worden!

Nieuwe Keijzersgracht: Stolpersteine

Aangekomen bij de Nieuwe Keijzersgracht laat onze gids ons struikelstenen en Joodse namen aan de kade zien, die er aan herinneren dat hier veel Joden hebben gewoond, die zijn gedeporteerd. De Duitse kunstenaar Gunter Demnig begon in 1997 met het leggen van de eerste Stolperstein in de Berlijnse wijk Kreuzberg.
Inmiddels liggen er in vele landen al Stolpersteine. Het is een herinnering aan de Holocaust in de Tweede Wereldoorlog. Een Stolperstein is een betonnen steen van 10 x 10cm, met aan de bovenkant een messing plaatje waarin de naam, geboorte- en overlijdensdatum en de plaats van overlijden wordt gestanst. De Stolperstein wordt geplaatst in de stoep voor het voormalige woonhuis van het slachtoffer.
Gunter Demnig geeft zo ieder slachtoffer een eigen monument.
Zijn motto is: 'Een mens is pas vergeten als diens naam vergeten is'

Aan de overkant van Nieuwe Keizersgracht 56 woonden vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog Joodse Amsterdammers. Wie precies op dit adres of in de tegenoverliggende panden woonde, is het best te controleren aan de hand van betrouwbare historische bronnen, zoals het Joods Monument, de Amsterdamse adresboeken en archieven van Stadsarchief Amsterdam. Deze gegevens kunnen per jaar verschillen, onder meer door verhuizingen, onderduik, deportatie en andere oorlogsomstandigheden. Zorg daarom bij het noemen van namen altijd voor een controle van huisnummer, periode en bronvermelding.

Naam van een Joodse inwoner en verwijzing naar het gebouw van de Joodse Raad aan de overkant van Nieuwe Keizersgracht 58.