In 1940 was Engeland in groot gevaar. Europa was bezet door de Duitsers. Engeland had geen bondgenoten meer op het vasteland. Hitler was op het toppunt van zijn macht en bedreigde Engeland. Aanvankelijk was het zijn bedoeling Engeland en zijn imperium met rust te laten zolang hij de macht had in Europa. Hij was meer geïnteresseerd in het aanvallen van de Sovjet-Unie, aangezien het communisme zijn aardsvijand was, wat te lezen is in Hitler's boek Mein Kampf. Maar Neville Chamberlain die tot op het laatst zocht naar vrede met Hitler, was vervangen door de grote oorlogsleider Winston Churchill. Toen Hitler op 10 mei 1940 alle overeenkomsten verbroken had door de lage landen Nederland, België, Luxemburg, maar ook Engeland's grote bondgenoot Frankrijk, werd duidelijk dat er maar één antwoord was op de politiek van Hitler: OORLOG. En Churchill was de juiste leider in die tijd. Hij mobiliseerde de Britse bevolking om weerstand te bieden tegen de tiranie van Hitler. Hitler had de Britse geest onderschat. Het lukte hem niet de Royal Airforce te verslaan noch het Britse moraal te breken door Londen en andere Britse steden te bombarderen.
Schuilen in de Londense metro en Anderson-schuilkelders
Tijdens de Blitz, de Duitse luchtaanvallen op Londen en andere Britse steden in de Tweede Wereldoorlog, zochten veel inwoners bescherming tegen bommen. De Londense metro speelde daarbij een belangrijke rol. Stations lagen diep onder de grond en boden een relatief veilige plek tegen explosies en rondvliegend puin. Vooral ’s nachts sliepen duizenden Londenaren op perrons en in tunnels, vaak op geïmproviseerde bedden met dekens en matrassen. De omstandigheden waren druk, warm en onhygiënisch, maar voor veel gezinnen was de metro veiliger dan thuis blijven. Naast deze openbare schuilplaatsen gebruikte men ook Anderson-schuilkelders. Dit waren kleine, halfronde onderkomens van gegolfd staal die in de tuin werden ingegraven en met aarde bedekt. Ze boden bescherming tegen granaatscherven en de druk van nabijgelegen explosies. De Britse overheid verstrekte deze schuilkelders vanaf 1939 gratis aan huishoudens met een laag inkomen; andere gezinnen konden er één tegen betaling aanschaffen. Anderson-schuilkelders waren vooral geschikt voor woningen met een tuin, maar ze waren in de winter vaak koud en vochtig. Daarom bleven veel mensen, zeker in dichtbebouwde wijken, liever gebruikmaken van de metro of andere openbare schuilplaatsen.
Tijdens de Duitse luchtaanvallen op Londen in 1940, bekend als de Blitz, zochten duizenden inwoners bescherming in de stations en tunnels van de Londense metro. Hoewel de overheid dit aanvankelijk ontmoedigde vanwege veiligheids- en hygiënezorgen, werden de ondergrondse stations al snel een belangrijke schuilplaats tegen bombardementen. Mensen brachten dekens, matrassen en persoonlijke bezittingen mee en brachten nachten door op perrons of in gangen, terwijl bovengronds delen van de stad werden getroffen. Vrijwilligers en hulpdiensten zorgden waar mogelijk voor eerste hulp, voedsel en sanitaire voorzieningen. De metro bood geen volledig comfort, maar de diepe ligging en stevige constructie gaven veel Londenaren een gevoel van veiligheid tijdens de zwaarste aanvallen.
Anderson schuilkelder
De Anderson-schuilkelder was een eenvoudige luchtschuilplaats die tijdens de Tweede Wereldoorlog veel werd gebruikt in Groot-Brittannië. De schuilkelder, genoemd naar Sir John Anderson, bestond uit gebogen golfplaten van staal die gedeeltelijk in de grond werden geplaatst en vervolgens met aarde werden bedekt. Hierdoor bood hij bescherming tegen rondvliegend puin en de gevolgen van luchtaanvallen. Anderson-schuilkelders werden vanaf 1939 vooral verstrekt aan gezinnen met een tuin, omdat er ruimte nodig was om de constructie in te graven. Hoewel de omstandigheden binnen vaak vochtig en koud waren, vormde de kelder voor veel gezinnen een belangrijke veilige plek tijdens bombardementen.
Een luchtgevecht boven de Tower Bridge zou direct de aandacht trekken van inwoners en bezoekers van Londen. De iconische brug ligt in een druk stedelijk gebied, waardoor elke militaire of noodsituatie in het luchtruim grote gevolgen kan hebben voor de veiligheid op de grond. In zo’n situatie zouden de autoriteiten waarschijnlijk het gebied afzetten, het luchtverkeer beperken en omwonenden oproepen om binnen te blijven. De Tower Bridge zelf is geen militair doelwit, maar door zijn herkenbare ligging en de nabijheid van de Theems vormt de omgeving een complex gebied voor hulpdiensten en luchtvaartautoriteiten.
Winston Churchill geldt als een van de meest onverschrokken leiders van de twintigste eeuw. Als premier van het Verenigd Koninkrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerde hij zich neer te leggen bij een mogelijke nederlaag tegen nazi-Duitsland. Met zijn krachtige toespraken, vastberaden houding en scherpe gevoel voor strategie gaf hij veel Britten hoop in een periode van bombardementen, onzekerheid en verlies. Churchill was niet foutloos en zijn politieke nalatenschap blijft onderwerp van debat, maar zijn moed in de oorlogsjaren staat buiten kijf. Hij koos ervoor om weerstand te bieden toen de druk om vrede te zoeken groot was, en groeide daardoor uit tot een blijvend symbool van veerkracht en leiderschap.
In 1940 richtte Groot-Brittannië de Local Defence Volunteers op, beter bekend als de Home Guard. Deze burgerwacht ontstond in mei, kort na de terugtrekking van Britse troepen uit Duinkerke, toen een Duitse invasie van Engeland als een reële dreiging werd gezien. Mannen die te jong, te oud of om andere redenen niet in het reguliere leger dienden, konden zich als vrijwilliger aanmelden. In juli 1940 kreeg de organisatie officieel de naam Home Guard. De vrijwilligers bewaakten onder meer bruggen, spoorlijnen, fabrieken en andere belangrijke locaties. Ook oefenden zij met wegversperringen, patrouilles en het melden van verdachte activiteiten. In het begin hadden veel leden weinig uniformen en wapens; sommigen moesten zelfs met geïmproviseerde middelen trainen. Later kregen zij betere uitrusting en militaire instructie. De Home Guard was bedoeld om bij een eventuele invasie tijd te winnen voor het reguliere leger en om de bevolking een actieve rol te geven in de verdediging van het land.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog inspecteerde premier Winston Churchill regelmatig de kustverdediging van Engeland. Na de evacuatie van Duinkerke in 1940 bestond er een reële vrees voor een Duitse invasie. Langs de Engelse kust werden daarom bunkers, geschutsopstellingen, prikkeldraadversperringen en andere verdedigingswerken aangelegd. Churchill bezocht militaire eenheden en versterkte kustgebieden om zich op de hoogte te stellen van de paraatheid en om het moreel van soldaten en burgers te ondersteunen. Zijn aanwezigheid onderstreepte het belang dat de Britse regering hechtte aan de verdediging van het land tegen een mogelijke aanval vanuit het bezette Europa.
Het symbool van de vechtlustige Britse premier Winston Churchill is deze opname van Churchill met Tommygun. De Tommygun, officieel bekend als de Thompson-submachinegun, is een Amerikaans automatisch vuurwapen dat vooral bekend werd tijdens de drooglegging in de Verenigde Staten en later in de Tweede Wereldoorlog. Het wapen werd ontwikkeld aan het begin van de twintigste eeuw door John T. Thompson en maakte gebruik van patronen van kaliber .45 ACP. Door zijn herkenbare vorm, trommelmagazijn en hoge vuursnelheid kreeg de Tommygun een vaste plaats in films, nieuwsbeelden en populaire cultuur. Hoewel het wapen vaak wordt geassocieerd met gangsters uit de jaren twintig en dertig, werd het ook gebruikt door militaire eenheden. Tegenwoordig is de Tommygun vooral een historisch symbool van die periode.
Evacuatie van Britse kinderen uit Londen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden vanaf september 1939 veel Britse kinderen uit Londen geëvacueerd naar veiliger gebieden op het platteland. De Britse regering startte deze operatie, bekend als Operation Pied Piper, uit angst voor Duitse luchtaanvallen op grote steden. Kinderen reisden vaak zonder hun ouders per trein naar gastgezinnen in dorpen en kleinere steden in Engeland, Wales en Schotland. Zij droegen geregeld een label met hun naam en bestemming en namen slechts een kleine koffer of tas mee. De evacuatie was ingrijpend: sommige kinderen verbleven maanden of zelfs jaren bij onbekende gezinnen, terwijl ouders in Londen achterbleven. Toen de Blitz in 1940 begon, bleek de vrees voor zware bombardementen terecht. Hoewel de opvang niet altijd gemakkelijk was en ervaringen sterk verschilden, hielp de evacuatie veel kinderen te beschermen tegen het directe gevaar van de luchtoorlog.
In september 1939 namen duizenden Britse kinderen afscheid van hun ouders op Londense stations. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vreesde de regering dat Duitse luchtaanvallen de hoofdstad zwaar zouden treffen. Via het evacuatieprogramma Operation Pied Piper werden kinderen, vaak samen met leraren en begeleiders, per trein naar veiliger gebieden op het platteland gebracht. Veel ouders wisten niet wanneer zij hun kinderen terug zouden zien, wat leidde tot aangrijpende taferelen op de perrons. De kinderen droegen meestal een label met hun naam en bestemming en hadden een kleine koffer of tas bij zich. Hoewel de evacuatie bedoeld was om hen te beschermen, betekende zij voor veel gezinnen een plotseling en onzeker afscheid. Sommigen keerden na korte tijd terug naar Londen, terwijl anderen jarenlang bij gastgezinnen verbleven.
Evacués verlaten Londen per trein om zich naar veiliger gebieden buiten de stad te verplaatsen. Op stations worden reizigers begeleid door hulpdiensten en spoorwegmedewerkers, die zorgen voor een ordelijk vertrek en actuele reisinformatie. De autoriteiten roepen mensen op om aanwijzingen op te volgen, alleen noodzakelijke bagage mee te nemen en voldoende tijd uit te trekken voor de reis.
De Britse luchtverdediging tijdens de Battle of Britain in 1940
Tijdens de Battle of Britain, van juli tot en met oktober 1940, verdedigde Groot-Brittannië zich tegen een luchtoffensief van de Duitse Luftwaffe. Na de val van Frankrijk wilde Adolf Hitler de Britse regering onder druk zetten en een mogelijke invasie, Operatie Sea Lion, voorbereiden. De Britse luchtverdediging steunde niet alleen op gevechtsvliegtuigen, maar op een zorgvuldig georganiseerd systeem van radarstations, waarnemers, commandocentra en grondverdediging. De Royal Air Force (RAF), onder leiding van Air Chief Marshal Hugh Dowding, gebruikte radar om vijandelijke formaties vroegtijdig te ontdekken. Deze informatie werd doorgegeven aan het Fighter Command, dat jachteskaders gericht kon inzetten waar zij het hardst nodig waren. Vooral de Hurricane en de snellere Spitfire speelden een belangrijke rol: Hurricanes vielen vaak Duitse bommenwerpers aan, terwijl Spitfires het opnamen tegen Duitse jagers, zoals de Messerschmitt Bf 109. In augustus en september richtte de Luftwaffe haar aanvallen op vliegvelden, radarinstallaties en andere doelen van de RAF. De Britse verdediging stond toen zwaar onder druk, maar bleef operationeel. Toen Duitsland vanaf begin september steeds vaker Londen en andere steden bombardeerde tijdens de Blitz, kregen veel RAF-vliegvelden bovendien tijd om te herstellen. Op 15 september 1940, later bekend als Battle of Britain Day, leden Duitse formaties zware verliezen boven Zuidoost-Engeland. De Luftwaffe wist geen luchtoverwicht te behalen en Hitler stelde de invasieplannen uit. De Britse overwinning was van groot strategisch belang: Groot-Brittannië bleef in de oorlog, behield een basis voor latere geallieerde operaties en toonde aan dat Duitsland niet onverslaanbaar was.
Deze bel werd geluid wanneer vliegtuigen vanaf een vliegveld in Engeland moesten opstijgen om Duitse vliegtuigen te onderscheppen. Het geluid waarschuwde piloten en grondpersoneel dat er direct actie nodig was. Zodra de bel klonk, maakten de bemanningen zich zo snel mogelijk gereed voor vertrek. Dergelijke alarmbellen speelden een belangrijke rol tijdens de luchtoorlog, omdat een snelle reactie essentieel was om vijandelijke toestellen tijdig te kunnen tegenhouden.
Tijdens de Battle of Britain in 1940 speelde de Royal Air Force (RAF) een beslissende rol in de verdediging van het Verenigd Koninkrijk tegen de Duitse Luftwaffe. De RAF opereerde vanaf een uitgebreid netwerk van vliegvelden, vooral in Zuid- en Zuidoost-Engeland. Belangrijke bases waren onder meer RAF Biggin Hill, RAF Hornchurch, RAF Kenley, RAF Northolt en RAF Tangmere. Deze vliegvelden lagen binnen het gebied van Fighter Command, dat verantwoordelijk was voor de inzet van jachtvliegtuigen zoals de Supermarine Spitfire en de Hawker Hurricane. Vanuit deze bases stegen squadrons op om Duitse bommenwerpers en jagers te onderscheppen voordat zij Londen, havens, radarstations en andere strategische doelen konden aanvallen. De vliegbases waren daarom zelf ook een belangrijk doelwit: de Luftwaffe bombardeerde startbanen, hangars, brandstofvoorraden en commandoposten om de Britse luchtverdediging te verzwakken. Ondanks zware schade bleven veel RAF-bases operationeel, mede dankzij snelle reparaties, grondpersoneel en een effectief systeem van radar en grondcontrole. Hun inzet droeg in belangrijke mate bij aan de Britse overwinning in de Battle of Britain.
Tijdens de Slag om Engeland, die van juli tot en met oktober 1940 werd uitgevochten, stonden de piloten van de Britse Royal Air Force (RAF) onder enorme druk. Vooral de jachtpiloten van Fighter Command moesten soms meerdere keren per dag opstijgen om Duitse luchtaanvallen af te slaan. Na een gevechtsvlucht kregen zij, wanneer de situatie dat toeliet, een korte rustpauze op hun vliegveld. Daar konden zij iets eten en drinken, slapen of bijkomen in de mess, terwijl grondpersoneel hun toestellen bijtankte, herbewapende en controleerde. Die rust was vaak beperkt: zodra de radar nieuwe Duitse formaties meldde, konden piloten binnen enkele minuten opnieuw worden opgeroepen. De afwisseling tussen intense luchtgevechten, verlies van kameraden en korte momenten van herstel maakte de Slag om Engeland zowel lichamelijk als geestelijk bijzonder zwaar.
Hoog boven de White Cliffs of Dover vindt een fel luchtgevecht plaats tussen een Duitse Messerschmitt Bf 109 en een Britse Supermarine Spitfire. De Bf 109, een van de belangrijkste jachtvliegtuigen van de Luftwaffe, probeert met zijn krachtige motor en snelle klimvermogen de overhand te krijgen. De Spitfire reageert met scherpe bochten en wendbare manoeuvres, eigenschappen waarvoor dit toestel tijdens de Slag om Engeland bekend werd. Onder hen slaan de witte krijtrotsen en het Kanaal een indrukwekkend decor voor de strijd. Beide piloten zoeken voortdurend naar een gunstige positie, terwijl snelheid, hoogte en timing het verschil kunnen maken. Dit tafereel roept de intense luchtgevechten van 1940 in herinnering, toen de verdediging van Groot-Brittannië grotendeels in de lucht werd beslist.
In september 1940 vonden boven Engeland hevige luchtgevechten plaats tijdens de Slag om Engeland, een cruciale fase in de Tweede Wereldoorlog. De Duitse Luftwaffe probeerde de Britse luchtmacht, de Royal Air Force (RAF), uit te schakelen om een mogelijke invasie van Groot-Brittannië voor te bereiden. Britse en Duitse vliegtuigen leverden bijna dagelijks gevechten in de lucht, vooral boven Zuidoost-Engeland en Londen. Op 15 september 1940, later bekend als Battle of Britain Day, wist de RAF grote Duitse aanvallen af te slaan. De Duitse plannen voor een invasie werden uiteindelijk uitgesteld, waardoor de Slag om Engeland als een belangrijke Britse overwinning wordt gezien.
Tijdens de Battle of Britain, die plaatsvond van juli tot en met oktober 1940, vormden Britse jachtpiloten de eerste verdedigingslinie tegen de Duitse Luftwaffe. Een piloot naast zijn Supermarine Spitfire staat symbool voor de vastberadenheid van de Royal Air Force (RAF) in deze beslissende fase van de Tweede Wereldoorlog. De Spitfire was geliefd om zijn snelheid, wendbaarheid en herkenbare elliptische vleugels. Samen met de Hawker Hurricane onderschepte het toestel Duitse bommenwerpers en jagers die Britse steden, vliegvelden en radarinstallaties aanvielen. De gevechten waren zwaar en gevaarlijk: piloten moesten vaak meerdere keren per dag opstijgen, terwijl zij wisten dat één luchtgevecht fataal kon aflopen. Dankzij het optreden van de RAF, ondersteund door grondpersoneel, radarwaarnemers en personeel in commandocentra, slaagde Duitsland er niet in het Britse luchtoverwicht te breken. Daarmee werd een mogelijke Duitse invasie van Groot-Brittannië voorkomen.
Tijdens de Slag om Engeland, van juli tot en met oktober 1940, vormde de Britse luchtafweer een belangrijk onderdeel van de verdediging tegen de Duitse Luftwaffe. De kern daarvan was RAF Fighter Command, dat jachtvliegtuigen zoals de Spitfire en Hurricane inzette om Duitse bommenwerpers en begeleidende jagers te onderscheppen. Groot-Brittannië had daarbij een belangrijk voordeel: het netwerk van Chain Home-radarstations langs de kust kon naderende vliegtuigen vroegtijdig signaleren. Informatie van radar, waarnemers van het Royal Observer Corps en grondstations werd samengebracht in commandocentra, waarna eskaders gericht konden worden opgestuurd. Daarnaast beschermde het Anti-Aircraft Command steden, vliegvelden en havens met luchtafweergeschut, zoeklichten en sperballonnen. Het geschut was vooral nuttig tegen bommenwerpers die op vaste routes of tijdens nachtelijke aanvallen vlogen, al was het overdag moeilijk om snelle vliegtuigen op grote hoogte te raken. Sperballonnen moesten laagvliegende aanvallers dwingen hoger te vliegen, waar zij kwetsbaarder waren voor jagers en geschut. Deze combinatie van radar, commandovoering, jachtvliegtuigen en grondluchtafweer hielp de Britten om de Duitse luchtaanvallen af te slaan en een Duitse invasie over Het Kanaal te voorkomen.
Britse radar speelde een belangrijke rol tijdens de Tweede Wereldoorlog, vooral in de Slag om Engeland van 1940. Groot-Brittannië had al vóór de oorlog een netwerk van radarstations langs de zuid- en oostkust opgebouwd, bekend als Chain Home. Deze stations konden naderende Duitse vliegtuigen op grote afstand detecteren. Daardoor kreeg de Royal Air Force (RAF) vroegtijdig informatie over vijandelijke aanvallen en kon zij jachtvliegtuigen gericht inzetten. Radar werkte door radiogolven uit te zenden en de weerkaatste signalen van vliegtuigen op te vangen. Hoewel de eerste systemen niet altijd nauwkeurig waren en moeite hadden met laagvliegende toestellen, vormden ze samen met waarnemers op de grond, telefoonverbindingen en commandocentra een effectief verdedigingssysteem. De Britse inzet van radar beperkte verspilling van brandstof en vliegtuigen, omdat de RAF niet voortdurend patrouilles hoefde uit te voeren. Later in de oorlog werd radar verder ontwikkeld voor nachtjagers, schepen, onderzeeërbestrijding en bommenwerpers. Zo hielp Britse radar niet alleen bij de verdediging van het eigen luchtruim, maar ook bij de strijd op zee en tijdens geallieerde offensieven in Europa.
A CH (Chain Home) Radar Station on the East Coast
WAAF radar operator Denise Miley plotting aircraft on the CRT (cathode ray tube) of an RF7 Receiver in the Receiver Room at Bawdsey Chain Home
Het begin van de Blitz
In september 1940 begon de Duitse Luftwaffe de Britse hoofdstad Londen op grote schaal te bombarderen. Deze luchtaanvallen maakten deel uit van de Blitz, een campagne die tijdens de Tweede Wereldoorlog gericht was op Britse steden, industrie en burgerbevolking. De eerste zware aanval op Londen vond plaats op 7 september 1940. In de maanden daarna volgden vrijwel dagelijks en vooral ’s nachts bombardementen, waarbij duizenden mensen om het leven kwamen en grote delen van de stad werden beschadigd. De aanvallen waren bedoeld om het Britse moreel te breken en de regering tot overgave te dwingen, maar Londen en de rest van Groot-Brittannië bleven weerstand bieden.
Tijdens de luchtaanvallen op Londen, met name gedurende de Blitz in de Tweede Wereldoorlog, ontstond grote schade in de stad. Bombardementen troffen woonwijken, openbare gebouwen, fabrieken en belangrijke infrastructuur. Daarbij vielen vele slachtoffers onder de bevolking en raakten duizenden mensen hun huis kwijt.
In 1940, tijdens de Slag om Engeland, schreven sommige Duitse piloten en grondpersoneelsleden van de Luftwaffe boodschappen, leuzen of symbolen op bommen die bestemd waren voor doelen in Engeland. Foto’s uit die periode tonen onder meer propagandistische teksten en persoonlijke uitingen. Zulke opschriften waren bedoeld om vijandigheid, ideologische overtuiging of groepsgevoel uit te drukken, maar veranderden niets aan de verwoestende gevolgen van de bombardementen voor burgers en militairen. De luchtaanvallen maakten deel uit van de Duitse poging om de Britse luchtmacht en infrastructuur te verzwakken en Groot-Brittannië tot overgave te dwingen.
Ook de Nederlandse bibliotheek in Londen werd in 1940 getroffen door de oorlog. Desondanks bleven boekenliefhebbers er boeken uitzoeken en lezen. Daarmee bleef de bibliotheek, zelfs in moeilijke omstandigheden, een waardevolle plek voor kennis, taal en verbondenheid.
Ook deze dubbeldekkerbus in Londen werd beschadigd tijdens de zware bombardementen van 1940. In dat jaar kreeg de Britse hoofdstad tijdens de Blitz langdurig te maken met luchtaanvallen, waarbij gebouwen, voertuigen en infrastructuur zwaar werden getroffen.